De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 18 maart 2025 uitspraak gedaan in een zaak waarin de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om de pleegouders te belasten met de voogdij over een minderjarige geboren in 2023. De minderjarige verbleef sinds september 2023 bij haar pleegouders, die tevens familie zijn. De gecertificeerde instelling was tot dan toe belast met de voorlopige voogdij.
De rechtbank stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is om te beslissen en dat Nederlands recht van toepassing is. Na een procedure waarin de Raad aanvullende stukken overlegde, waaronder een beëindigingsbesluit van de Spaanse voogdij, oordeelde de kinderrechter dat het in het belang van de minderjarige is dat de pleegouders met de voogdij worden belast. De pleegouders waren bereid de voogdij uit te oefenen en boden emotionele steun en zorg.
De rechtbank ontsloeg de gecertificeerde instelling van de voorlopige voogdij en belastte de pleegouders met de voogdij. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct gevolgd moet worden, ook bij hoger beroep. Tevens werd verzocht de beslissing in het centraal gezagsregister te registreren.