ECLI:NL:RBZWB:2025:1957
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Rekestprocedure
- De Beer
- Rechtspraak.nl
Gerechtelijke vaststelling vaderschap na overlijden vermeende biologische vader
De man verzocht de rechtbank om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de overleden heer, die hij als zijn biologische vader beschouwt. Dit verzoek werd mondeling behandeld waarbij ook de moeder aanwezig was, die het vaderschap bevestigde.
De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 1:207 BW Pro het vaderschap ook na overlijden kan worden vastgesteld indien voldoende bewijs is geleverd. Ondanks het ontbreken van DNA-bewijs door crematie, waren er meerdere verklaringen van betrokkenen en eerdere juridische procedures waarin de heer als vader werd erkend.
De rechtbank oordeelde dat geen wettelijke belemmeringen bestonden tegen vaststelling van het vaderschap en dat het in het belang van de man was om het vaderschap officieel te laten vaststellen. De beschikking werd gegeven om het vaderschap te registreren bij de burgerlijke stand.
Er werd tevens gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na uitspraak, met tussenkomst van een advocaat.
Uitkomst: Het vaderschap van de overleden heer is gerechtelijk vastgesteld ten aanzien van de man.