ECLI:NL:RBZWB:2025:2003
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering conserverende aanslag pensioenaanspraak bij emigratie
Belanghebbende emigreerde op 22 november 2020 naar het buitenland en had toen een pensioenaanspraak bij het ABP van €643.234. De inspecteur legde op 7 juli 2023 een conserverende aanslag IB/PVV 2020 op, inclusief revisierente van €128.646. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag en stelde dat deze onrechtmatig was omdat de pensioenuitkeringen al op 11 mei 2021 waren ingegaan.
De rechtbank oordeelt dat het heffingsmoment voor de conserverende aanslag het moment van emigratie is en dat de latere pensioenuitkeringen niet relevant zijn voor het opleggen van de aanslag. De aanslag is terecht opgelegd, maar de rechtbank volgt het standpunt van de inspecteur dat de aanslag te hoog is vastgesteld omdat een deel van het pensioen privaatrechtelijk is, waardoor het heffingsrecht aan het buitenland toekomt. De aanslag wordt daarom met 7% verminderd.
Belanghebbende voerde ook schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur aan, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank oordeelt dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden omdat het heffingsmoment bepalend is, het vertrouwensbeginsel niet slaagt wegens gebrek aan bewijs van toezeggingen door de Belastingtelefoon, en het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden vanwege onvoldoende onderbouwing.
De revisierentebeschikking wordt overeenkomstig verminderd. De rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar, vermindert de aanslag tot €589.208 en bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van €50 aan belanghebbende moet vergoeden.
Uitkomst: De conserverende aanslag en revisierente worden verminderd vanwege een te hoog vastgesteld bedrag.