De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 7 april 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiseres beroep instelde tegen het besluit van het UWV om een Ziektewetuitkering te weigeren aan een werkneemster. Het UWV had de uitkering geweigerd omdat de werkneemster na het beëindigen van haar WAZO-uitkering op 30 oktober 2023 weer was gaan werken en zich pas op 11 januari 2024 ziek had gemeld.
De kern van het geschil was of de werkneemster aansluitend aan haar WAZO-uitkering arbeidsongeschikt was. De rechtbank oordeelde dat de werkneemster gedurende een periode van meer dan twee maanden had gewerkt, wat niet wijst op arbeidsongeschiktheid aansluitend op de WAZO. De medische rapportage van de verzekeringsarts, die geen spreekuur noodzakelijk achtte, bevestigde dat de klachten weliswaar tijdens de zwangerschap waren ontstaan maar niet tot arbeidsongeschiktheid leidden direct na de WAZO.
Hoewel eiseres en werkneemster stelden dat niet alle werkzaamheden volledig waren hervat, bleek uit het dossier dat de werkneemster haar functie als pedagogisch medewerker volledig had hervat. De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht de Ziektewetuitkering had geweigerd. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.