Belanghebbende voerde beroep aan tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting en aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2018 en begin 2019. De inspecteur had de aanslagen na bezwaar verminderd, maar de naheffingsaanslagen omzetbelasting en boetes bleven in stand. De rechtbank behandelde de zaak op 26 februari 2025.
De kern van het geschil betrof de aftrek van kosten en voorbelasting op facturen van een derde partij, [B.V.], waarvan de inspecteur stelde dat deze facturen niet zakelijk waren en de diensten niet waren verricht. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de kosten zakelijk waren en dat de facturen voldeden aan de vereisten voor aftrek van voorbelasting. De naheffingsaanslagen en aanslagen IB/PVV werden daarom terecht opgelegd.
De rechtbank achtte de opgelegde vergrijpboete van 25% passend, omdat sprake was van grove schuld van belanghebbende. Wel werd de boete voor 2018 met 5% verlaagd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werd vastgesteld dat te veel griffierecht was geheven, dat terugbetaald moet worden.
De beroepen werden ongegrond verklaard, met uitzondering van de boetevermindering en terugbetaling griffierecht. De rechtbank handhaafde de belastingrente zoals opgelegd.