Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,
Inleiding
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
Artikel 40 Wet Pro WOZ
Conclusie en gevolgen
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning uit 1884 met een woonoppervlakte van 88 m² op een perceel van 590 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2022 vast op €224.000 en legde op basis daarvan de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023 op.
Belanghebbende voerde bezwaar aan tegen de WOZ-waarde en stelde dat de waarde maximaal €194.000 bedraagt. De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van het taxatierapport en de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen in de nabijheid werden betrokken. Eén referentiewoning werd buiten beschouwing gelaten wegens onvoldoende onderbouwing, maar de overige referentiewoningen waren volgens de rechtbank voldoende vergelijkbaar.
De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen in kwaliteit, onderhoud en voorzieningen tussen de woningen. Ook werd het standpunt van belanghebbende dat een deel van het perceel alleen via de buren bereikbaar is, niet gevolgd. De heffingsambtenaar had hiervoor een neerwaartse correctie op de grondwaarde toegepast.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en dat het beroep ongegrond is. Hierdoor blijft de aanslag OZB gehandhaafd en wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde van €224.000 blijft gehandhaafd.