Op 4 februari 2021 werd in een loods een operationeel methamfetaline-laboratorium ontdekt waar verdachte samen met medeverdachten aanwezig was. Verdachte werd aangehouden en betwistte betrokkenheid, stellende dat hij alleen schoonmaakte. De rechtbank achtte dit ongeloofwaardig gezien zijn aanwezigheid in de productieruimte, DNA-sporen op beschermingsmiddelen en verklaringen van medeverdachten.
De rechtbank oordeelde dat verdachte en medeverdachten gezamenlijk en bewust hebben deelgenomen aan de productie van methamfetamine, waarbij sprake was van medeplegen. De hoeveelheid exacte drugs werd niet volledig vastgesteld, maar er was voldoende bewijs voor productie van methamfetamine.
Bij de strafoplegging nam de rechtbank de ernst van het feit, de verslavende en schadelijke aard van methamfetamine, het lange tijdsverloop sinds het delict, de kwetsbare positie van verdachte tijdens de coronacrisis en zijn eerdere voorarrest in acht. Verdachte kreeg een gevangenisstraf van 300 dagen opgelegd, waarvan 137 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest.
De rechtbank sprak verdachte vrij van wat meer of anders was ten laste gelegd en verklaarde dat het bewezenverklaarde feit strafbaar is volgens de Opiumwet en het Wetboek van Strafrecht. Het vonnis werd uitgesproken door een meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 10 april 2025.