De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om drie minderjarigen voorlopig onder toezicht te stellen vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling. De kinderen wonen bij hun moeder, terwijl de ouders gescheiden zijn. Er zijn meerdere meldingen van huiselijk geweld en onveilige omstandigheden, waaronder agressief gedrag van de vader onder invloed van alcohol en een sterk vervuilde woning.
De kinderrechter nam kennis van het verzoek en de bijbehorende stukken en hield een zitting met gesloten deuren. De moeder stemde na uitleg in met de ondertoezichtstelling, de vader toonde zich bereid tot samenwerking en hulpverlening. De gecertificeerde instelling onderschreef het verzoek.
De rechter oordeelde dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Gezien de ernst en herhaling van de bedreigingen, en het falen van vrijwillige hulpverlening, concludeerde de kinderrechter dat een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen te waarborgen.
De rechtbank stelde de kinderen voorlopig onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering voor drie maanden, ingaande 24 maart 2025 tot 24 juni 2025. De beslissing werd mondeling uitgesproken en schriftelijk vastgelegd.