Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 12 augustus 2022. Betrokkene ontkende de gedraging en stelde niet staande te zijn gehouden. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat de gedraging wel is verricht, gebaseerd op de verklaring van de verbalisant. Er was geen reële mogelijkheid tot staandehouding omdat de verbalisanten een verdachte vervoerden naar een huisartsenpost. Hierdoor mocht de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd.
Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn van twee jaar was overschreden, aangezien de boete op 23 augustus 2022 werd opgelegd en de procedure op 21 februari 2025 werd behandeld. Dit leidde tot een matiging van de boete met 25%. Daarnaast was de hoorplicht geschonden omdat betrokkene niet was gehoord bij het beroep bij de officier van justitie, wat een tweede matiging van 25% rechtvaardigde.
De kantonrechter verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond, matigde de boete tot €196,87 plus administratiekosten en beval terugbetaling van €37,13 aan betrokkene. De beslissing van de officier van justitie werd gewijzigd.
Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en boete gematigd tot €196,87 plus administratiekosten.