Uitspraak
1.[huurder 1] B.V.,
2. [huurder 2] B.V.,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak huurde een bedrijf vanaf mei 2023 een woning voor de huisvesting van werknemers met een huurovereenkomst voor een jaar, waarbij tussentijdse opzegging contractueel was uitgesloten. De huurder zei de overeenkomst echter per 1 februari 2024 op en ontruimde de woning.
De verhuurder vorderde betaling van achterstallige huur tot mei 2024 en incassokosten, stellende dat tussentijdse opzegging niet was toegestaan. De huurder verweerde zich met het argument dat het beding dat tussentijdse opzegging uitsluit nietig is op grond van artikel 7:271 lid 7 BW Pro, omdat het een huurovereenkomst voor woonruimte betreft.
De kantonrechter oordeelde dat de woonruimtebepalingen van toepassing zijn, ook al is de huurder een bedrijf en het gehuurde bestemd voor huisvesting van arbeidsmigranten. Het beding dat tussentijdse opzegging uitsluit is nietig en de opzegging per 1 februari 2024 rechtsgeldig. De vordering van de verhuurder tot betaling van huur na die datum wordt afgewezen.
Daarnaast werd de verhuurder veroordeeld tot betaling van de waarborgsom aan de huurder met wettelijke handelsrente, en werden proceskosten en incassokosten verdeeld conform de wettelijke regels. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De huurder kon de huurovereenkomst woonruimte tussentijds opzeggen; de vorderingen van de verhuurder tot betaling van huur na 1 februari 2024 worden afgewezen.