ECLI:NL:RBZWB:2025:2130

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 februari 2025
Publicatiedatum
11 april 2025
Zaaknummer
11188171 MB VERZ 24-532
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.H.C. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 7:16 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onvoldoende vaststelling gedraging bij verkeersboete

Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens vermeend onnodig geluid veroorzaken met een motorvoertuig op 22 september 2022. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, die door de officier van justitie ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter.

Tijdens de zitting was betrokkene en zijn gemachtigde niet aanwezig. De kern van het geschil betrof de vraag of de gedraging vaststond, mede omdat de verbalisant geen staandehouding had verricht. De verbalisant had afgezien van staandehouding omdat betrokkene met hoge snelheid wegreed en later opnieuw wegreed na een stopteken. Er was onduidelijkheid over de positie van de verbalisant (te voet of op voertuig), waardoor niet kon worden vastgesteld of er een reële mogelijkheid tot staandehouding was.

De kantonrechter oordeelde dat onvoldoende duidelijk was dat staandehouding niet mogelijk was en daarom de boete ten onrechte aan de kentekenhouder was opgelegd. Tevens werd een proceskostenvergoeding van €1.230,50 toegekend. De bestreden beslissing van de officier van justitie werd vernietigd en het bedrag van €259,- zekerheidstelling werd aan betrokkene terugbetaald.

Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt gegrond verklaard en de boete wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
zaaknummer : 11188171 \ MB VERZ 24-532
CJIB-nummer : 7062 5422 5275 7816
uitspraakdatum : 21 februari 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde] (Boete.nu)

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 21 februari 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder met een motorvoertuig of als brom- snorfietser onnodig geluid veroorzaken op de Kerkhof te Zierikzee op 22 september 2022 om 13:39 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat er ten onrechte geen staandehouding heeft plaatsgevonden. Betrokkene is immers twee keer langsgereden. Ten slotte merkt gemachtigde op dat er sprake is van schending van de hoorplicht nu de officier van justitie gemachtigde de gelegenheid heeft geboden om de gronden schriftelijk verder aan te vullen. Volgens eiser kan dit namelijk niet gekwalificeerd worden als een hoorzitting als bedoeld in artikel 7:16 Awb Pro. Voorts verzoekt gemachtigde een proceskostenvergoeding.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De zittingsvertegenwoordiger heeft een aanvullend proces-verbaal opgevraagd, waarin de verbalisant een toelichting geeft op de mogelijkheid tot staandehouding en ingaat op het verweer van betrokkene. Echter is de betreffende verbalisant niet meer in dienst en geeft het dossier onvoldoende duidelijkheid. Gelet hierop kan de gedraging niet worden vastgesteld.

Overwegingen

Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een boete kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd.
Volgens het zaaksoverzicht heeft de verbalisant afgezien van staandehouding omdat betrokkene met hoge snelheid wegreed. Ongeveer tien minuten later kwam betrokkene nogmaals langsrijden. Verbalisant stak hierop zijn hand uit en probeerde een stopteken te geven aan betrokkene. Verbalisant zag dat betrokkene keek en opnieuw zijn snelheid omhoog schroefde. Hierop reed betrokkene opnieuw weg. Nu er niet duidelijk is of verbalisant in of op een voertuig/fiets reed of te voet was, kan onvoldoende worden vastgesteld dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. Daarom is de officier van justitie in de gelegenheid gesteld hierover een aanvullend proces-verbaal op te laten maken.
Nu er geen aanvullend proces-verbaal is gekomen, is de kantonrechter van oordeel dat onvoldoende duidelijk is geworden dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. De boete is dan ook ten onrechte opgelegd aan de kentekenhouder.
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen, die als volgt is berekend:
administratief beroepschrift: 1 punt x gewicht 0,5 x € 647,- = € 323,50
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- = € 453,50
zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- =
€ 453,50
totaal € 1.230,50

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 259,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 1.230,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2025.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: