Belanghebbende maakt bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres te Breda, vastgesteld op €720.000 per 1 januari 2024. Hij stelt dat de gebruikte oppervlakte onjuist is, dat de garage ten onrechte als garage is aangemerkt, dat er sprake is van achterstallig onderhoud en dat onduidelijkheid bestaat over de term 'toestandspeildatum'.
De heffingsambtenaar licht toe dat de oppervlakte nu correct is vastgesteld op 163 m² in plaats van 144 m², vanwege een wijziging in regelgeving waarbij taxaties nu op basis van gebruiksoppervlakte plaatsvinden. De garage wordt terecht als berging/schuur beschouwd. De rechtbank volgt deze uitleg en oordeelt dat de oppervlaktecorrectie terecht is en dat er geen sprake is van een wijziging van de toestandsdatum, maar van een administratieve correctie.
De waarde is bepaald met de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen in de buurt en qua bouwjaar en type als voldoende vergelijkbaar zijn beoordeeld. Belanghebbende voert aan dat achterstallig onderhoud en overlast van ganzen de waarde drukken, maar de rechtbank vindt dat deze omstandigheden onvoldoende waardeverminderend zijn. De overlast is subjectief en de achterstalligheid leidt slechts tot een beperkte correctie die de vastgestelde waarde niet te hoog maakt.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, bevestigt de WOZ-waarde en de aanslagen, maar gelast restitutie van het griffierecht aan belanghebbende wegens de verwarring over de oppervlakte en toestandsdatum. De uitspraak is gedaan op 16 april 2025 door rechter J.W. Ponds.