Eiser heeft op 25 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een professionele herbeoordeling op grond van de Wet WIA. Het UWV heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van acht weken een besluit genomen. Na ingebrekestelling op 14 oktober 2024 en het verstrijken van de daaropvolgende termijn, stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat het UWV niet tijdig heeft beslist. Het UWV gaf aan dat de overschrijding het gevolg is van een tekort aan verzekeringsartsen en een daardoor ontstane achterstand. De rechtbank houdt rekening met het belang van een zorgvuldige heroverweging en stelt een termijn van vier maanden na verzending van de uitspraak vast waarbinnen het UWV alsnog moet besluiten.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag dat het UWV de termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Het UWV wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 17 april 2025.