Eiser heeft op 2 juli 2024 een aanvraag ingediend bij het UWV voor een herbeoordeling op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het UWV had uiterlijk op 27 augustus 2024 moeten beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Eiser stelde het UWV op 10 oktober 2024 in gebreke en na het verstrijken van twee weken zonder besluit diende hij beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat het UWV niet tijdig heeft beslist. Het UWV gaf aan dat de overschrijding te wijten is aan beperkte capaciteit van verzekeringsartsen, waardoor een achterstand is ontstaan. De rechtbank acht een termijn van twee weken onredelijk kort en stelt daarom een termijn van vier maanden vast waarbinnen het UWV alsnog moet beslissen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat het besluit uitblijft, met een maximum van € 15.000,-. Het UWV wordt ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 17 april 2025.