ECLI:NL:RBZWB:2025:2290

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2025
Publicatiedatum
17 april 2025
Zaaknummer
11441133
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Rouwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:34a BWArt. 6:44 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling contributie 2024 volgens vast contributiestelsel niet in strijd met statuten

Deze civiele bodemzaak betreft een geschil tussen [eiser], een branchevereniging voor toeleveranciers in de land- en tuinbouwsector, en Telermaat B.V., een lid dat zich bezighoudt met boomkwekerij en aardbeienteelt. Het geschil draait om de hoogte en verschuldigdheid van de contributie over het jaar 2024. Telermaat betwist de hoogte van de factuur en stelt dat het contributiestelsel strijdig is met de statuten en de redelijkheid en billijkheid.

De rechtbank stelt vast dat het contributiestelsel, vastgesteld door de Algemene Ledenvergadering (ALV) van [eiser], gebaseerd is op omzetcategorieën die voor drie jaar worden vastgesteld. Telermaat heeft haar omzet over 2022 opgegeven en is ingedeeld in categorie E voor de jaren 2023 tot en met 2025. De rechtbank oordeelt dat dit systeem niet in strijd is met de statuten, die de ALV de bevoegdheid geven de contributie vast te stellen zonder nadere beperkingen.

Het beroep van Telermaat op strijd met de redelijkheid en billijkheid wordt verworpen. De rechtbank benadrukt dat de leden akkoord zijn gegaan met het systeem en dat tussentijdse aanpassing niet is overeengekomen, ook niet bij gewijzigde bedrijfsomstandigheden zoals maatschappelijk verantwoord ondernemen. Telermaat is daarom gehouden het restant van de contributie te voldoen, vermeerderd met rente en incassokosten. Tevens wordt Telermaat veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Telermaat wordt veroordeeld tot betaling van het restantbedrag van de contributie 2024, vermeerderd met rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11441133 \ CV EXPL 24-4344
Vonnis van 16 april 2025
in de zaak van
[eiser],
gevestigd te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. H.E. Weeda,
tegen
TELERMAAT B.V.,
gevestigd te Zundert,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Telermaat,
gemachtigde: Stichting Achmea Rechtsbijstand.

1.Waar gaat deze zaak over?

Deze zaak gaat over het tussen partijen ontstane geschil over de hoogte van de contributie die voor Telermaat geldt over het jaar 2024 en de verschuldigdheid hiervan. Telermaat heeft in het kader van de tussen partijen ontstane discussie een deel van de door [eiser] aan haar
gezonden factuur voor de contributie 2024 onbetaald gelaten. De kantonrechter komt tot het oordeel dat het door [eiser] toegepaste systeem om de hoogte van de contributie te bepalen niet in strijd is met de statuten en ook dat geen sprake is van strijd met de redelijkheid en billijkheid. Telermaat is gehouden het door [eiser] gevorderde bedrag te betalen.

2.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 22 januari 2025 met alle daarin vermelde stukken,
- de mondelinge behandeling van 13 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
De kantonrechter gaat uit van de navolgende volgende feiten.
Wie zijn partijen?
a. [eiser] is een branchevereniging die de belangen behartigt van de toeleveranciers van de Nederlandse land- en tuinbouwsector, gericht op de gezonde teelt. Bij [eiser] zijn ± 30 bedrijven aangesloten.
b. Telermaat houdt zich bezig met boomkwekerij en aardbeienteelt. Telermaat was vanaf november 2013 tot en met 2024 lid bij [eiser].
Wat is er gebeurd?
c. [eiser] brengt jaarlijks bij haar leden contributie in rekening. De relevante bepalingen in de statuten van [eiser] van 1999 over het vaststellen van de hoogte van de contributie zijn de volgende:
“(…)
Verenigingsjaar, Geldmiddelen
Artikel 10
1. Het verenigingsjaar loopt van één januari tot en met één en dertig december. Het eerste verenigingsjaar loopt van de dag van oprichting van de vereniging tot en met één en dertig december negentienhonderd twee en negentig.
2. De geldmiddelen van de vereniging bestaan uit contributies en andere baten.
3. Ieder lid betaalt een contributie, waarvan het bedrag jaarlijks door de algemene vergadering wordt vastgesteld.(…)”
d. Bij besluit van de Algemene Ledenvergadering (hierna: ALV) van 2012 is het contributiestelsel van [eiser] vastgesteld. Hierover staat in de betreffende notulen het volgende:
“(…)
(I) Het basiscontributiebedrag zal € 5.515,- bedragen;
II) Leden kunnen naar rato van een lagere omzet aan gewasbescherming korting krijgen op dit basisbedrag (of terwijl: in een lagere categorie worden geplaatst);
III) Indien leden gebruik willen maken van die korting, dienen zij inzage te geven in hun omzet door middel van vastlegging van de omzetgegevens in een verklaring van een accountant;
IV) De omzetgegevens vastgelegd in de verklaring van de accountant zal telkens
voor 3 jaar gelden.(…)”
e. Tijdens de ALV van [eiser] van 11 november 2020 is het huidige contributiestelsel inclusief zeven contributiecategorieën aangenomen. Voor het verenigingsjaar 2024 is de hoogte van de contributie tijdens de ALV van [eiser] in 2023 na goedkeuring van de leden opnieuw vastgesteld. De te betalen contributie is afhankelijk van de categorie waarin een bedrijf valt. Bedrijven kunnen op basis van hun omzet in één van de 7 categorieën (A t/m G) ingedeeld worden. De door [eiser] gehanteerde categorie-indeling ziet er als volgt uit:
Bedrijven worden door [eiser] in beginsel standaard ingedeeld in categorie A (wat dient als het basiscontributiebedrag) en kunnen naar rato van omzet ingedeeld worden in een lagere categorie. Indien een verzoek tot korting wordt ingediend wordt aan de hand van de omzetgegevens van het bedrijf het aanvraagjaar als peiljaar gehanteerd waarna een categorie-indeling en verschuldigde contributiebedrag voor 3 jaar plaatsvindt.
f. Op 29 september 2023 heeft Telermaat een omzetverklaring over het jaar 2022 naar [eiser] gestuurd waarmee zij aanspraak heeft gemaakt op indeling in aan andere categorie.
g. [eiser] heeft Telermaat op basis van deze omzetverklaring ingedeeld in categorie E geldend voor de jaren 2023 t/m 2025. Hierbij past een contributiebedrag van
€ 8.120,- (exclusief 2l% BTW).
h. Op 15 maart 2024 heeft [eiser] een factuur gestuurd aan Telermaat voor de
contributie van 2024 ter hoogte van € 9.825,20 (inclusief 2l% btw).
i. Bij e-mail van 13 mei 2024 aan [eiser] heeft Telermaat aangegeven het niet eens te zijn met de hoogte van de factuur. Zij geeft aan een lagere omzet te hebben gehad, en meent dat zij op basis van de lagere omzet niet in categorie E maar in categorie F valt.
j. Omdat de vaststelling van de contributie voor 3 jaar (2023, 2024 en 2025) geldt antwoordt [eiser] dat de categorie-indeling niet aangepast kan worden.
k. Hierover is tussen partijen dit geschil ontstaan. Telermaat heeft een deel van de door [eiser] aan haar gezonden factuur voor de contributie 2024 ondanks sommaties onbetaald gelaten en heeft haar lidmaatschap bij [eiser] opgezegd.

2.Het geschil

2.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van Telermaat tot betaling van € 5.798,57, vermeerderd met rente en kosten.
2.2.
Telermaat vindt dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
Het kernpunt van het geschil is de vraag of Telermaat het restantbedrag van de contributie over 2024 aan [eiser] moet betalen. Telermaat is van mening dat het besluit over het te hanteren systeem voor de contributie niet overeenkomstig de statuten is genomen. Daarnaast is Telermaat van mening dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is om contributie voor de duur van 3 jaar onaangepast afhankelijk te stellen van de omzet die in 1 jaar is behaald. Daarbij heeft Telermaat aangevoerd dat zij haar bedrijfsstructuur heeft gewijzigd in de zin dat zij maatschappelijk verantwoord is gaan ondernemen waardoor zij een lagere omzet heeft behaald. Het in het licht hiervan onverkort handhaven van het contributiestelsel door [eiser] is volgens Telermaat in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
3.2.
De kantonrechter stelt voorop dat [eiser] als vereniging met volledige rechtsbevoegdheid op grond van het bepaalde in artikel 2:34a BW bij of krachtens de statuten verplichtingen aan haar leden kan opleggen. Op grond van artikel 10 lid 3 van Pro de statuten 1999 van [eiser] (
Ieder lid betaalt een contributie, waarvan het bedrag jaarlijks door de algemene vergadering wordt vastgesteld), is de ALV bevoegd tot het jaarlijks vaststellen van de door de leden te betalen contributie. De kantonrechter stelt vast dat in de statuten niet is opgenomen hoe de hoogte van de contributie bepaald moet worden en hoe hoog de contributie maximaal mag of minimaal moet zijn. Er is dus niets specifiek bepaald over hoe de ALV contributie vaststelt of wijzigt. Dit is kennelijk overgelaten aan de vereniging en haar leden. In beginsel is de ALV daar dus vrij in. Uit de in het geding gebrachte notulen van de ALV van [eiser] van 2012 blijkt dat de leden akkoord zijn gegaan met het huidige systeem van het vaststellen van de contributie. Daarnaast blijkt uit de in het geding gebrachte stukken (prod. 13 akte overlegging producties door [eiser]) dat de leden van [eiser] ieder jaar in de ALV akkoord zijn gegaan met de contributie én dat tijdens de ALV van 11 november 2020 het huidige contributiestelsel inclusief zeven contributiecategorieën zijn aangenomen. Dat betekent dat de leden van [eiser] akkoord zijn gegaan met het hanteren van een categorie-indeling op basis van de omzet. Vast staat dat de leden van [eiser] jaarlijks bij brief zijn geïnformeerd over de hoogte van de contributie. Het contributiesysteem houdt in dat voor alle leden een basiscontributiebedrag geldt, waarbij de mogelijkheid bestaat om korting aan te vragen. Hiervoor moet een bedrijf inzage verschaffen in haar omzet. Als blijkt dat sprake is van een lagere omzet wordt een bedrijf naar rato van de lagere omzet in een lagere categorie ingedeeld. Hiervoor geldt een peiljaar zijnde het jaar waarin een bedrijf verzoekt om een korting. De categorie waarin het bedrijf vervolgens wordt ingedeeld geldt dan telkens voor 3 jaar. De kantonrechter merkt verder op dat Telermaat tot 2024 geen bezwaar heeft gemaakt tegen de wijze waarop de contributie werd vastgesteld en ook steeds jaarlijks de verschuldigde contributiebedragen heeft betaald. Ook staat vast dat in de ALV van november 2023 de contributiebedragen voor het contributiejaar 2024 zijn vastgesteld. Gesteld noch gebleken is dat Telermaat hiertegen bezwaar heeft gemaakt.
3.3.
Vast staat dat Telermaat bij brief van 29 september 2023 aan [eiser] haar omzet over 2022 heeft doorgegeven onder de expliciete mededeling om de omzet over 2023, 2024 en 2025 vast te stellen. Vervolgens heeft [eiser] op basis van deze omzetverklaring Telermaat ingedeeld in categorie E, wat geldt voor de jaren 2023, 2024 en 2025. Hieraan is Telermaat op basis van het vastgestelde contributiesysteem dan ook gebonden. Het op de hiervoor beschreven wijze vaststellen van de contributie is volgens de kantonrechter dan ook niet in strijd met de statuten van [eiser]. Dit betekent dat de leden - waaronder Telermaat - gehouden zijn tot het betalen van de contributie, ongeacht of zij al dan niet op deze ledenvergaderingen aanwezig zijn geweest. Tijdens de mondelinge behandeling is door Telermaat immers betoogd dat zij niet aanwezig is geweest op de ALV van 2023.
3.4.
Het beroep van Telermaat op de redelijkheid en billijkheid slaagt niet. Vast staat dat Telermaat akkoord is gegaan met het contributiestelsel. De omstandigheid dat ingeval een bedrijf verzoekt om een korting aan de hand van een peiljaar vervolgens de contributie voor de duur van 3 jaar wordt vastgesteld betekent naar het oordeel van de kantonrechter niet dat sprake is van strijd met de redelijkheid en billijkheid. Zoals hiervoor is overwogen mocht de ALV hierover beslissen, wat ook is gebeurd. Daar komt bij dat [eiser] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling onweersproken heeft verklaard dat voor deze berekenings-methodiek gekozen is om de leden niet te belasten met jaarlijkse accountants- en additionele kosten.
3.5.
Telermaat vindt ook dat het contributiesysteem in strijd is met de redelijkheid en billijkheid omdat zij maatschappelijk verantwoord is gaan ondernemen waardoor haar omzet is gedaald terwijl [eiser] vasthoudt aan hogere categorie-indeling. Dat Telermaat dit ervaart als een straf en dat sprake is van strijd met de redelijkheid en billijkheid volgt de kantonrechter niet. Dit is immers inherent aan het afgesproken contributiesysteem. Ondanks de beste bedoelingen van Telermaat geldt immers dat de leden van de vereniging in het geldende contributiesysteem niet met elkaar hebben afgesproken een korting te verlenen aan bedrijven die (tussentijds) maatschappelijk verantwoord ondernemen of iets anders gaan doen waardoor een lagere omzet wordt behaald. [eiser] is op grond van de redelijkheid en billijkheid dan ook niet gehouden om in de voor de periode van 3 jaar vastgestelde categorie over te gaan tot een tussentijdse aanpassing.
3.6.
De conclusie is dat Telermaat gehouden is tot het betalen van het restantbedrag van de contributie over het kalenderjaar 2024. Vaststaat dat Telermaat een bedrag in hoofdsom van € 9.825,20 verschuldigd was en dat [eiser] hiervoor op 15 maart 2024 een factuur aan Telermaat heeft gezonden met een betalingstermijn van 30 dagen. Telermaat is niet binnen die termijn over gegaan tot betaling van de bewuste factuur. Vast staat dat [eiser] Telermaat bij brief van 27 september 2024 heeft gesommeerd tot betaling en dat Telermaat op 1 oktober 2024 een bedrag van € 5.457,10 heeft betaald. Op grond van artikel 6:44 BW Pro strekt een betaling eerst in mindering op de kosten, dan op de rente en vervolgens op de hoofdsom. De kantonrechter zal hierna beoordelen of [eiser] de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente verschuldigd was. Dit is van belang om te kunnen vaststellen of [eiser] de betaling van € € 5.457,10 eerst op deze kosten in mindering mocht brengen en daarna op de hoofdsom van € 9.825,20.
3.7.
Wat betreft de buitengerechtelijke kosten overweegt de kantonrechter als volgt. [eiser] maakt aanspraak op een bedrag van € 866,26 aan buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht
.Het gevorderde bedrag is conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten maximaal toe te wijzen tarief, zodat dit bedrag in mindering mag worden gebracht op de betaling van € 5.457,10.
3.8.
De tot en met 1 oktober 2024 berekende wettelijke rente van € 564,21 is onweersproken zodat dit eveneens in mindering mag worden gebracht op de betaling van
€ 5.457,10. Aldus strekt een totaalbedrag van € 1.430,46 in mindering op € 5.457,10. Dit betekent dat Telermaat in hoofdsom het door [eiser] gevorderde bedrag van € 5.798,57, vermeerderd met de handelsrente vanaf 2 oktober 2024 is verschuldigd. De vordering van [eiser] wordt dan ook toegewezen.
3.9.
Telermaat is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
115,22
- griffierecht
524,00
- salaris gemachtigde
847,50
(2,5 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.621,72
3.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad wordt als onweersproken gevorderd toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt Telermaat om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.798,57, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 2 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling;
4.2.
veroordeelt Telermaat in de proceskosten van € 1.621,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Telermaat niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.3.
veroordeelt Telermaat tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Rouwen en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2025