ECLI:NL:RBZWB:2025:230

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 januari 2025
Publicatiedatum
17 januari 2025
Zaaknummer
11254078 CV EXPL 24-2862 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Ebben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 6:159 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling factuur en wettelijke handelsrente na afwijzing contractsovername

In deze civiele procedure vordert Gbou B.V. betaling van een factuur van €9.075,00 plus wettelijke handelsrente en incassokosten van Friss Holding B.V. Gbou heeft in 2020 werkzaamheden verricht voor Friss Holding en factureerde deze in oktober 2021. Friss Holding betaalde niet en verweerde zich met het argument dat het project was overgedragen aan een andere vennootschap, waardoor zij niet langer aansprakelijk zou zijn.

De rechtbank oordeelt dat de contractsovername niet rechtsgeldig is omdat Gbou niet heeft ingestemd met de overdracht. Friss Holding blijft daardoor gehouden tot betaling van de factuur. De gevorderde wettelijke handelsrente over het openstaande bedrag vanaf 30 dagen na factuurdatum is eveneens toewijsbaar, evenals de buitengerechtelijke incassokosten conform het toepasselijke tarief.

Friss Holding wordt veroordeeld tot betaling van in totaal €12.286,94 plus rente en proceskosten. Het verweer van financiële onmacht faalt, aangezien dit de betalingsverplichting niet opheft. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is op 8 januari 2025 gewezen.

Uitkomst: Friss Holding wordt veroordeeld tot betaling van €12.286,94 plus wettelijke handelsrente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11254078 \ CV EXPL 24-2862
Vonnis van 8 januari 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap GBOU B.V.,
gevestigd te Heerenveen,
eisende partij,
hierna te noemen: Gbou,
gemachtigde: Straetus Incasso Friesland B.V.,
tegen
de besloten vennootschap FRISS HOLDING B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Prinsenbeek,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Friss Holding,
vertegenwoordigd door [naam] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 augustus 2024 en de daarin genoemde processtukken;
- de door Gbou toegestuurde productie 8;
- de mondelinge behandeling van 6 december 2024 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
In 2020 heeft Gbou in opdracht van Friss Holding werkzaamheden verricht tot realisering van het [project] in de gemeente Waadhoeke. Zo heeft Gbou (onder meer) een projectplan opgesteld en de aanvraag omgevingsvergunning gedaan.
2.2.
Voor de verrichte werkzaamheden heeft Gbou op 27 oktober 2021 een factuur aan Friss Holding gezonden voor een bedrag van € 9.075,00 (inclusief btw). Friss Holding heeft de factuur onbetaald gelaten.
2.3.
Friss Holding heeft het project in 2021 aan de vennootschap Friss Holding Sexbierum BV i.o. overgedragen.
2.4.
Naar aanleiding van de door de gemachtigde van Gbou gezonden aanmaningen heeft Friss Holding medegedeeld dat Gbou wegens overdracht van het project de verkeerde rechtspersoon aanspreekt.

3.Het geschil

3.1.
Gbou vordert dat Friss Holding wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 12.286,94 vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 9.075,00 vanaf 1 juli 2024 tot de dag van volledige voldoening en met veroordeling van Friss Holding in de kosten van de procedure, waaronder de nakosten.
3.2.
Gbou legt aan haar vordering – samengevat – ten grondslag dat zij in opdracht van Friss Holding werkzaamheden heeft verricht en Friss Holding ten onrechte de daarvoor gestuurde factuur van € 9.075,00 onbetaald heeft gelaten. Gbou stelt dat Friss Holding wettelijke handelsrente verschuldigd is vanaf de vervaldatum van de factuur en deze tot en met 1 juli 2024 € 2.383,19 bedraagt. Daarnaast stelt Gbou dat Friss Holding aan buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 828,75 verschuldigd is.
3.3.
Friss Holding voert verweer. Friss Holding voert als verweer – samengevat – aan dat het hele projectplan is verkocht aan Friss Holding Sexbierum BV i.o. en die dient te worden aangesproken voor betaling van de factuur. Ook voert Friss Holding aan momenteel niet de financiële middelen te hebben om de vordering te betalen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Niet in geschil is dat Gbou de gefactureerde werkzaamheden heeft verricht en Friss Holding daar opdracht voor heeft gegeven. Dit betekent dat Friss Holding als contractspartij gehouden is daarvoor te betalen.
4.2.
Het verweer van Friss Holding dat met de overdracht van het project de overeenkomst tussen partijen is overgedragen slaagt niet. In de wet is opgenomen dat een rechtsgeldige overname tussen de contractspartij en de overnemende partij schriftelijk dient te gebeuren en dat de wederpartij van de partij die overdraagt (in dit geval Gbou) moet instemmen met de overname. [1] Nu er geen sprake is van instemming van Gbou met overdracht van de overeenkomst en daarbij de verplichting tot betaling, kan niet gesproken worden van een rechtsgeldige contractovername. Dit betekent dat Friss Holding gehouden is gebleven de factuur van € 9.075,00 te betalen. De door Friss Holding gestelde financiële onmacht op dit moment doet niet af aan de verschuldigdheid van de factuur. Het gevorderde bedrag van € 9.075,00 is daarom toewijsbaar.
4.3.
Gbou vordert wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 30 dagen na de factuurdatum en stelt dat de verschuldigde rente tot en met 1 juli 2024 € 2.383,19 bedraagt. Deze rente is toewijsbaar omdat in de overeenkomst een betalingstermijn van 30 dagen na de factuurdatum opgenomen en er is sprake van een handelsovereenkomst. Daarnaast zal de gevorderde wettelijke handelsrente vanaf 2 juli 2024 over € 9.075,00 tot de dag van volledige betaling worden toegewezen.
4.4.
Gbou heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 828,75 zijn conform het tarief als vermeld in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en toewijsbaar.
4.5.
Friss Holding is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Gbou worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
115,22
- griffierecht
524,00
- salaris gemachtigde
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.586,22

5.5. De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Friss Holding om aan Gbou te betalen een bedrag van € 12.286,94, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 9.075,00, met ingang van 2 juli 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt Friss Holding in de proceskosten van € 1.586,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Friss Holding niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2025.

Voetnoten

1.Artikel 6:159 BW Pro