ECLI:NL:RBZWB:2025:2316

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2025
Publicatiedatum
18 april 2025
Zaaknummer
11188378 CV EXPL 24-2328 (T)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel XXII Wet vereenvoudiging beslagvrije voet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over hoogte beslagvrije voet en toepassing Wet vereenvoudiging beslagvrije voet

In deze civiele zaak vordert eiser terugbetaling van bedragen die volgens hem ten onrechte zijn ingehouden door Amphia vanwege een onjuiste berekening van de beslagvrije voet. Eiser stelt dat Amphia de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet, die per 1 januari 2021 van kracht is, niet correct heeft toegepast, met name de 5%-regel voor inkomen gelijk aan of lager dan de bijstandsnorm.

Amphia betwist dit en stelt dat de beslagvrije voet steeds juist is vastgesteld en dat zij niet verplicht was deze per 1 januari 2021 aan te passen. De kantonrechter constateert dat onvoldoende duidelijkheid bestaat over de exacte datum van beslaglegging en de toepassing van de 5%-regel in de praktijk.

De kantonrechter beveelt Amphia aan om nadere informatie te verstrekken over de bedragen die zij maandelijks heeft ontvangen via derdenbeslag en hoe zij de 5%-regel heeft toegepast. De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor het nemen van een akte door Amphia, waarna eiser kan reageren. Verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden en verwezen voor nadere informatie over de beslagvrije voet en toepassing van de 5%-regel.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11188378 \ CV EXPL 24-2328
Vonnis van 16 april 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. D.A. IJpelaar,
tegen
STICHTING AMPHIA,
te Breda,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Amphia,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders.

1.De zaak in het kort

1.1.
In deze zaak gaat het om het volgende. [eiser] stelt dat Amphia de beslagvrije
voet niet juist heeft berekend, waardoor er maandelijks door Amphia een te hoog bedrag op zijn inkomen is ingehouden. [eiser] vordert (terug)betaling van die bedragen. Amphia is het hier niet mee eens. Amphia stelt dat de berekening in overeenstemming met de wet is.
1.2.
De kantonrechter kan in deze zaak nog niet beslissen of de vordering van [eiser] toewijsbaar is. Hiervoor is meer informatie nodig. De kantonrechter legt hierna uit welke informatie zij nodig heeft en op welke manier partijen nog kunnen reageren.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de conclusie van repliek met 1 productie;
- de conclusie van dupliek.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Amphia heeft bij proces-verbaal van 22 maart 2019 derdenbeslag gelegd onder het Uwv ten laste van [eiser] . Amphia heeft op dat moment haar beslag ter verdeling ingediend bij de eerste beslaglegger.
3.2.
[eiser] heeft na beëindiging van het eerste beslag verzocht tot herberekening van de beslagvrije voet. Amphia heeft de beslagvrije voet op 11 juni 2020 herberekend tot
€ 1.141,88 per maand. Amphia heeft het Uwv hierover bij brief van 11 juni 2020 geïnformeerd.
3.3.
Amphia heeft op 1 november 2021 de beslagvrije voet vastgesteld op een bedrag van € 1.235,00 per maand.
3.4.
De gemachtigde van [eiser] heeft de gemachtigde van Amphia bij brief van 17 mei 2024 onder meer verzocht om de beslagvrije voet met terugwerkende kracht vanaf datum beslaglegging aan te passen.
3.5.
Amphia heeft op 23 mei 2024 de beslagvrije voet vastgesteld op een bedrag van
€ 1.220,00 per maand.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert -samengevat- Amphia te veroordelen tot teruggave van het ten onrechte ingehouden bedrag gerekend vanaf de datum van beslaglegging althans een in goede justitie te bepalen datum en bedrag, vermeerderd met rente en kosten.
4.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Per 1 januari 2021 is de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet in werking getreden. Amphia heeft geen rekening gehouden met de in de wet genoemde regel dat bij een inkomen lager of gelijk aan de toepasselijke bijstandsnorm maximaal 5% van het inkomen beschikbaar is voor beslag. De beslagvrije voet dient met terugwerkende kracht gecorrigeerd te worden.
4.3.
Amphia voert verweer. Amphia concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.4.
Amphia voert het volgende aan. Amphia is altijd uitgegaan van een juiste beslagvrije voet. Zij was op grond van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet ook niet gehouden de beslagvrije voet per 1 januari 2021 aan te passen.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
[eiser] vordert Amphia te veroordelen tot teruggave van het ten onrechte ingehouden bedrag gerekend vanaf de datum van beslaglegging, althans een in goede justitie te bepalen datum en bedrag.
5.2.
De kantonrechter stelt in de eerste plaats vast dat [eiser] niet heeft toegelicht welke datum hij met “de datum van beslaglegging” bedoeld. Amphia heeft voor het eerst op 11 juni 2020 de beslagvrije voet vastgesteld.
Beslagvrije voet in de periode voor 1 november 2021
5.3.
[eiser] stelt in de inleidende dagvaarding dat Amphia de beslagvrije voet heeft vastgesteld op een bedrag van € 966,68 en dat zij op grond van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet de beslagvrije voet per 1 januari 2021 had moeten aanpassen naar een bedrag van (ongeveer) € 1.220,00 per maand. Amphia stelt op grond van dezelfde wet (artikel XXII Wet vereenvoudiging beslagvrije voet) dat zij hiertoe niet gehouden was. Ook betwist Amphia dat zij op een bepaald moment de beslagvrije voet heeft vastgesteld op een bedrag van € 966,68.
5.4.
[eiser] betwist in zijn conclusie van repliek niet dat op grond van artikel XXII Wet vereenvoudiging beslagvrije voet de per 11 juni 2020 vastgestelde beslagvrije voet van toepassing bleef. Amphia heeft -binnen de in de wet genoemde termijn van een jaar- de beslagvrije voet per 1 november 2021 vastgesteld op een bedrag van € 1.235,00 per maand.
Amphia stelt dat de beslagvrije voet in overeenstemming met de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is berekend.
Beslagvrije voet per 1 november 2021
5.5.
In de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is bepaald dat bij een inkomen lager of gelijk aan de toepasselijke bijstandsnorm de beslagvrije voet gelijk is aan 95% van het netto inkomen incl. vakantietoeslag. Dit betekent dat 5% van het inkomen beschikbaar is voor beslag of verrekening.
5.6.
[eiser] stelt in de conclusie van repliek dat Amphia de 5% regeling niet juist heeft toegepast, nu de maandelijkse afdrachten (€ 67,86 per maand) meer zijn dan 5% van het inkomen (van € 1.281,61 inclusief vakantiegeld per maand) en door Amphia ten onrechte een bedrag van € 899,12 aan vakantietoeslag is geïncasseerd. [eiser] legt ter onderbouwing van zijn stelling betaalspecificaties van het Uwv van 11 maart 2024, 15 april 2024 en 13 mei 2024 over. Ook stelt [eiser] dat uitgaande van een beslagvrije voet van € 1.235,00 per maand per 1 november 2021 er maandelijks een bedrag van € 46,61 per maand (inkomen € 1.281,61 per maand -/- beslagvrije voet € 1.235,00 per maand) onder het beslag zou vallen en het meerdere (dus ook de vakantietoeslag) vrijgelaten dient te worden.
5.7.
Amphia is bij conclusie van dupliek niet ingegaan op de door [eiser] genoemde bedragen. Amphia herhaalt haar eerdere stelling dat zij bij de beslagleggingen steeds is uitgegaan van de juiste beslagvrije voet.
5.8.
De kantonrechter zal alvorens verder te beslissen Amphia in de gelegenheid stellen om bij akte op de door [eiser] in zijn conclusie van repliek genoemde bedragen te reageren. Tevens dient Amphia een overzicht te verstrekken waaruit blijkt welk bedrag zij maandelijks vanaf 1 november 2021 via het derdenbeslag van [eiser] ontvangen heeft. Bij dit overzicht dient Amphia kenbaar te maken of het zo is, en als het zo is, op welke wijze zij rekening heeft gehouden met de in de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet genoemde 5% regel.
5.9.
De kantonrechter zal de zaak hiervoor verwijzen naar de rolzitting van woensdag 23 april 2025. [eiser] kan hierop vervolgens bij antwoordakte reageren.
5.10.
In de dagvaarding is vermeld dat er een toevoeging is aangevraagd. Voor zover [eiser] op basis van een toevoeging procedeert dient [eiser] bij antwoordakte ook een afschrift van die toevoeging over te leggen.
5.11.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6.De beslissing

De kantonrechter
verwijst de zaak naar de terechtzitting van
woensdag 30 april 2025 om 09:00 uur, voor het nemen van een akte na tussenvonnis door Amphia zoals bedoeld in overweging onder 5.8;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2025.