Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] ( [land] ), belanghebbende,
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
Verdere procesverloop
Feiten (ingelast uit de tussenuitspraak)
Verdere overwegingen
Conclusie en gevolgen
- wat betreft de bezwaarfase: 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor de aanwezigheid bij het hoorgesprek;
- wat betreft het proces bij de rechtbank: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de aanwezigheid ter zitting;
- wat betreft de prejudiciële procedure bij de Hoge Raad: 2 punten voor de schriftelijke opmerkingen naar aanleiding van de voorgelegde prejudiciële vraag;
- een waarde per punt in de bezwaarfase van € 647, een waarde per punt in de beroepsfase van € 907 en een wegingsfactor 1.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2020 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.972 en een premie-inkomen van € 20.248 waarbij rekening wordt gehouden met € 5.834 heffingskorting;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 4.922 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.