ECLI:NL:RBZWB:2025:2395

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 april 2025
Publicatiedatum
23 april 2025
Zaaknummer
BRE 23/2710
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep WOZ-beschikking wegens ontbrekende machtiging ongegrond verklaard

Belanghebbende, een bedrijf, had beroep ingesteld tegen een WOZ-beschikking en een aanslag onroerendezaakbelasting. De rechtbank had het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat niet alle vereiste machtigingen van bevoegd bestuurders waren overgelegd.

In het verzet werd betoogd dat de gemachtigde bevoegd was en dat het verzuim niet hersteld kon worden, maar de rechtbank oordeelde dat de gemachtigde niet aan de verzoeken tot overleggen van volledige machtigingen had voldaan. Hoewel een machtiging van één bestuurder was ingediend, bleek uit het handelsregister dat deze niet zelfstandig bevoegd was.

De rechtbank wees het verzet af en handhaafde de niet-ontvankelijkverklaring. Tevens werden verzoeken om immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding afgewezen omdat de gemachtigde niet bevoegd was om deze namens belanghebbende in te dienen.

Uitkomst: Het verzet is ongegrond verklaard en het beroep blijft niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van volledige machtigingen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/2710

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2025 op het verzet van

[bedrijf] B.V., uit [plaats] , belanghebbende

(gesteld gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 11 oktober 2024 in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 11 oktober 2024 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet overleggen van een juiste machtiging. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking voor het object [adres] , alsmede de gelijktijdig opgelegde aanslag onroerendezaakbelasting met kenmerk [nummer] .
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 11 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gesteld gemachtigde van belanghebbende (hierna: mr. Bartels) en namens de heffingsambtenaar [persoon 1] .

Procesverloop

2. Bij brief van 9 mei 2023 is mr. Bartels in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken een machtiging en uittreksels uit het handelsregister (niet ouder dan één jaar) te overleggen. Hierop heeft mr. Bartels bij brief van 19 mei 2023 gereageerd en een machtiging overgelegd die is ondertekend door [persoon 2] en uittreksels uit het handelsregister ingediend. Uit de overgelegde uittreksels uit het handelsregister blijkt dat [persoon 2] gezamenlijk bevoegd is met andere bestuurders.
2.1.
De griffier heeft daarom bij aangetekende brief van 6 juni 2023 expliciet gevraagd om machtigingen van alle bevoegd bestuurders. Hierop heeft mr. Bartels bij brief van 7 juni 2023 gereageerd. Bij deze brief heeft hij een e-mailwisseling en een machtiging van [persoon 2] gevoegd.
2.2.
Mr. Bartels heeft niet (tijdig) voldaan aan het verzoek van de rechtbank, waarna het beroep niet-ontvankelijk is verklaard.

Overwegingen

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 11 oktober 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
3.1.
Mr. Bartels voert in zijn verzetschrift geen gronden aan die ingaan op de gronden die zijn genoemd in de in verzet bestreden uitspraak. Wel heeft mr. Bartels alsnog een machtiging overgelegd van [persoon 3] en [persoon 2] en verzocht om te worden gehoord op het verzet. Ter zitting heeft mr. Bartels aangevoerd dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om het verzuim te herstellen, maar dat uit de stukken in onderhavige zaak en overige procedures die hij reeds heeft gevoerd namens belanghebbende duidelijk is dat hij bevoegd is om namens belanghebbende te procederen.
3.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.3.
Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank voor dat beroep een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Dit staat in artikel 8:24, tweede lid van de Awb. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren. Als de ander een rechtspersoon is of een natuurlijk persoon die een onderneming drijft, kan de rechtbank ook verlangen dat – recente – uittreksels uit het handelsregister worden overgelegd.
3.4.
De stelling van mr. Bartels dat de benodigde machtigingen door hem zijn ingediend en dat daar zijn bevoegdheid uit blijkt om te procederen namens belanghebbende volgt de rechtbank niet. Mr. Bartels is gevraagd om machtigingen te overleggen van alle bevoegd bestuurders en uittreksel uit het handelsregister die niet ouder zijn dan een jaar en heeft dit niet gedaan. Mr. Bartels heeft in de beroepsprocedure alleen een machtiging overgelegd van één van de drie bevoegd bestuurders terwijl uit de uittreksels uit het handelsregister blijkt dat deze bestuurder niet zelfstandig bevoegd is. De stelling dat mr. Bartels niet in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen zal de rechtbank passeren omdat mr. Bartels op elke brief van de rechtbank waarin werd gevraagd wel heeft gereageerd; alleen niet door alsnog de ontbrekende stukken in te dienen.
3.5.
Mr. Bartels heeft in verzet, één dag voor de zitting, nog een machtiging van [persoon 2] en [persoon 3] van overgelegd. De rechtbank overweegt dat bij het niet voldoen aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, het beroep wegens dit verzuim niet-ontvankelijk verklaard kan worden en dat dat verzuim in verzet niet kan worden hersteld. [2]

Conclusie en gevolgen

4. Het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 11 oktober 2024. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
Immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding
4.1.
Nu niet is gebleken dat mr. D.A.N. Bartels is gemachtigd om namens belanghebbende te procederen is naar het oordeel van de rechtbank mr. D.A.N. Bartels ook niet bevoegd om namens belanghebbende een verzoek te doen om immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding. De rechtbank wijst de verzoeken dan ook af.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet ongegrond;
- Wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 25 april 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Vergelijk Hoge Raad, 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2