ECLI:NL:RBZWB:2025:2397

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 april 2025
Publicatiedatum
23 april 2025
Zaaknummer
BRE 23/11115
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid beroep door ontbreken juiste machtiging

Deze uitspraak betreft het verzet van belanghebbende tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank van 29 oktober 2024, waarin het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege het ontbreken van een juiste machtiging. Het beroep had betrekking op de WOZ-beschikking 2023 en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting voor een object aan een adres.

Tijdens de zitting op 11 april 2025 werd het verzet behandeld. De gemachtigde van belanghebbende, mr. D.A.N. Bartels, had meerdere malen een machtiging overgelegd, maar deze was steeds op naam van een ander persoon dan belanghebbende. De rechtbank heeft mr. Bartels meerdere kansen gegeven om een juiste machtiging te overleggen, maar dit is niet gelukt.

De rechtbank oordeelt dat het verzet ongegrond is omdat het ontbreken van een juiste machtiging een formeel vereiste is dat niet kan worden hersteld in verzet. Daarnaast wijst de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding af, omdat mr. Bartels niet bevoegd is om namens belanghebbende op te treden.

De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing dat het beroep niet-ontvankelijk is en dat het verzet niet slaagt. Partijen wordt gewezen op de mogelijkheid om binnen zes weken beroep in cassatie in te stellen bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het verzet is ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens het ontbreken van een juiste machtiging blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11115

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2025 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gesteld gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 oktober 2024 in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 29 oktober 2024 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet indienen van een juiste machtiging. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking 2023 voor het object [adres] met aanslagnummer [nummer] , alsmede de gelijktijdig opgelegde aanslag onroerendezaakbelasting.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 11 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gesteld gemachtigde van belanghebbende (hierna: mr. Bartels) en namens de heffingsambtenaar [persoon 1] .

Procesverloop

2. Bij brief van 8 december 2023 is mr. Bartels in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een machtiging te overleggen. Hierop heeft mr. Bartels bij brief van 22 december 2023 gereageerd en een machtiging overgelegd die is ondertekend door [persoon 2] .
2.1.
De griffier heeft daarom bij aangetekende brief van 17 januari 2024 mr. Bartels erop gewezen dat het beroep is ingediend op naam van [belanghebbende] en dat de machtiging die is overgelegd op naam van [persoon 2] staat. Mr. Bartels is daarom nogmaals in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken alsnog een machtiging te overleggen waaruit blijkt dat hij bevoegd is om namens belanghebbende beroep in te stellen. Hierop heeft mr. Bartels bij brief van 18 januari 2024 gereageerd. Bij deze brief heeft hij een e-mailwisseling en nogmaals een machtiging van [persoon 2] gevoegd.
2.2.
Mr. Bartels heeft niet (tijdig) voldaan aan het verzoek van de rechtbank, waarna het beroep niet-ontvankelijk is verklaard.

Overwegingen

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 11 oktober 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
3.1.
Mr. Bartels voert in zijn verzetschrift geen gronden aan die ingaan op de gronden die zijn genoemd in de in verzet bestreden uitspraak. Wel heeft mr. Bartels alsnog een machtiging overgelegd van belanghebbende en verzocht om te worden gehoord op het verzet.
3.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.3.
Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Dit staat in artikel 8:24, tweede lid van de Awb. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
3.4.
Mr. Bartels heeft geen redenen aangevoerd die het verzuim verschoonbaar maken.
3.5.
Mr. Bartels heeft in verzet alsnog een machtiging overgelegd. De rechtbank overweegt dat bij het niet voldoen aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, het beroep wegens dit verzuim niet-ontvankelijk verklaard kan worden en dat dat verzuim in verzet niet kan worden hersteld. [2]

Conclusie en gevolgen

4. Het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 29 oktober 2024. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
Immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding
4.1.
Nu niet is gebleken dat mr. D.A.N. Bartels is gemachtigd om namens belanghebbende te procederen is naar het oordeel van de rechtbank mr. D.A.N. Bartels ook niet bevoegd om namens belanghebbende een verzoek te doen om immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding. De rechtbank wijst de verzoeken dan ook af.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet ongegrond;
- Wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 25 april 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Vergelijk Hoge Raad, 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2