ECLI:NL:RBZWB:2025:2464

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 april 2025
Publicatiedatum
24 april 2025
Zaaknummer
10855512 \ CV EXPL 23-5285 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Ebben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 6:38 BWArt. 6:44 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering zorgverzekeraar voor zorgkosten vóór 1 juni 2021 wegens niet-nakoming verzwaarde stelplicht

VGZ vordert betaling van zorgkosten die zijn gemaakt vóór 1 juni 2021 van de toeslagpartner van een gedupeerde ouder. De gedaagde voert verweer tegen deze vordering en stelt dat hij deze kosten niet hoeft te betalen. De rechtbank beoordeelt op grond van artikel 4.1 Wht en artikel 6:38 BW Pro of de vorderingen voor 1 juni 2021 opeisbaar waren.

De rechtbank oordeelt dat VGZ een verzwaarde stelplicht heeft ten aanzien van de opeisbaarheid van de vorderingen vóór 1 juni 2021. VGZ heeft na tussenvonnis facturen overgelegd met betalingstermijnen na 1 juni 2021, maar heeft niet voldoende onderbouwd dat partijen een dergelijke betalingstermijn zijn overeengekomen. Hierdoor wordt het deel van de vordering dat ziet op zorgkosten vóór 1 juni 2021 afgewezen.

Voor de overige zorgkosten, waaronder de premie van juni 2021 en facturen vanaf februari 2022, wordt de gedaagde veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.959,64 aan hoofdsom, € 378,04 aan buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente vanaf het moment van dagvaarden. Daarnaast moet de gedaagde de proceskosten van € 1.221,48 betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vordering voor zorgkosten vóór 1 juni 2021 wordt afgewezen, overige kosten en proceskosten worden toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 10855512 \ CV EXPL 23-5285
Vonnis van 2 april 2025
in de zaak van
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: VGZ ,
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. T.M. ten Velde.

1.De zaak in het kort

[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van VGZ die zien op zorgkosten vóór 1 juni 2021. Op grond van artikel 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) moet worden beoordeeld of deze vorderingen voor 1 juni 2021 opeisbaar waren. Voor de opeisbaarheid is van belang wat partijen daarover hebben bepaald (artikel 6:38 Burgerlijk Pro Wetboek (BW)). De kantonrechter heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat VGZ een verzwaarde stelplicht heeft en daarbij VGZ in de gelegenheid gesteld om hierover informatie en een toelichting te geven. VGZ heeft vervolgens een akte overgelegd. De kantonrechter is na ontvangst hiervan van oordeel dat VGZ niet aan haar verzwaarde stelplicht heeft voldaan. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen. Hieronder legt de kantonrechter het oordeel over alle vorderingen uit.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 27 november 2024
- de akte van VGZ van 8 januari 2025
- de akte van [gedaagde] van 5 maart 2025.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.Het geschil

3.1.
VGZ vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.721,58, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 3.705,91 vanaf 10 november 2023, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van VGZ , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van VGZ , met veroordeling van VGZ in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter volhardt bij alles wat is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 27 november 2024.
De betalingsverplichting voor zorgkosten vóór 1 juni 2021 wordt betwist
4.2.
[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen betaling van zorgkosten die zijn gemaakt vóór 1 juni 2021. Dit gaat volgens hem om de volgende declaraties uit het overzicht van VGZ :
[afbeelding geanonimiseerd]
Het totaal betwiste bedrag is op grond hiervan (€ 7,46 + € 13,41 + € 337,79 =) € 358,66.
Toetsingskader
4.3.
[gedaagde] heeft gesteld dat niet hij, maar SNB deze facturen moet betalen, omdat hij toeslagpartner van een gedupeerde ouder is. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat daarom op grond van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder a Wht moet worden beoordeeld of deze zorgkostenschuld opeisbaar was vóór 1 juni 2021. Daarvoor is op grond van artikel 6:38 BW Pro van belang wat partijen hebben bepaald over de tijd voor nakoming. Dat kan in de overeenkomst staan, maar ook volgen uit de wet, gewoonte en redelijkheid en billijkheid.
VGZ heeft onvoldoende onderbouwd wat partijen hebben bepaald over nakoming
4.4.
Omdat informatie hierover ontbrak, heeft de kantonrechter VGZ in de gelegenheid gesteld om de voor het bepalen van het moment van opeisbaarheid relevante stukken bij akte in het geding te brengen en een nadere toelichting te geven.
4.5.
Bij akte van 8 januari 2025 heeft VGZ vervolgens alle facturen overgelegd vanaf 26 juli 2021 en daarbij gesteld dat de tijd voor nakoming is bepaald in deze facturen. Volgens VGZ is de vordering daarom na het verstrijken van deze termijn (de kantonrechter begrijpt: de in de facturen genoemde termijn) opeisbaar.
4.6.
De kantonrechter constateert dat de overgelegde factuur waarbij de betwiste zorgkosten in rekening zijn gebracht dateert van 26 juli 2021 met als uiterste betaaldatum 20 augustus 2021. Op deze factuur staat vermeld bij [declaratienummer 1] (farmacie) ‘notadatum 27-05-2021’ en bij [declaratienummer 2] (ziekenhuishulp) ‘behandeldatum 18-03-2021’.
4.7.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat weliswaar uit een factuur blijkt dat de vordering opeisbaar is, maar de vordering kan al voor die tijd opeisbaar zijn geworden. Een betalingstermijn op een factuur is bepalend voor het moment waarop de schuldenaar moet nakomen, maar dat moment is niet per definitie gelijk aan het moment waarop de vordering opeisbaar is geworden.
4.8.
VGZ heeft geen stukken, zoals de polisvoorwaarden, overgelegd waaruit blijkt wat partijen hebben bepaald over nakoming en daarmee de opeisbaarheid van de vorderingen van VGZ . Zonder nadere toelichting, die hier dus ontbreekt, kan niet worden vastgesteld dat de eenzijdig door VGZ bepaalde betalingstermijn op de factuur van deze zorgkosten valt onder wat partijen hebben bepaald zoals bedoeld in artikel 6:38 BW Pro. De kantonrechter is daarom van oordeel dat VGZ niet heeft voldaan aan haar verzwaarde stelplicht in verband met haar betwisting van het verweer dat de opeisbaarheid voor 1 juni 2021 is ontstaan.
Uitgangspunt is dat de vordering direct opeisbaar was
4.9.
Omdat niet is gebleken dat partijen iets over nakoming hebben bepaald, moet ervan worden uitgegaan dat partijen geen tijd voor nakoming hebben bepaald. Op grond van artikel 6:38 BW Pro volgt daaruit dat nakoming direct kan worden gevorderd en de vordering dus direct opeisbaar is.
4.10.
Niet wordt betwist dat de zorgkosten vóór 1 juni 2021 zijn gemaakt. Dat volgt ook uit het door VGZ overgelegde declaratieoverzicht en de betwiste zorgkostenfactuur van 26 juli 2021. Bovendien heeft VGZ bij conclusie van repliek aangegeven dat
“de datum boven de rode streep […] de datum [is] waarop eiseres de vordering vanuit de zorgverlener ontvangt.”Daarbij heeft VGZ met rood onderstreept de data ‘
27-05-2021’bij [declaratienummer 1] (farmacie) en
‘18-03-2021’bij [declaratienummer 2] (ziekenhuishulp). Op die data wist VGZ dus dat [gedaagde] deze zorgkosten had gemaakt en kon zij op grond van artikel 6:38 BW Pro direct nakoming (betaling) vorderen voor zover de polisvoorwaarden voor deze kosten geen dekking boden. Daaruit volgt dat op die data de vorderingen van VGZ in verband met deze declaraties opeisbaar waren en daarmee vóór 1 juni 2021. Dat VGZ pas tot daadwerkelijke opeising is overgegaan op 26 juli 2021, doet daaraan niets af.
4.11.
Dat betekent dat voldaan is aan het vereiste van artikel 4.1 Wht. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [gedaagde] deze zorgkosten niet hoeft te betalen. Dit deel van de vordering wijst de kantonrechter daarom af, zodat een bedrag van € 358,66 in mindering moet worden gebracht op de hoofdsom die [gedaagde] moet betalen.
[gedaagde] moet de premie van juni 2021 en de facturen vanaf februari 2022 betalen
4.12.
In het tussenvonnis is overwogen dat [gedaagde] de premie van juni 2021 en de facturen vanaf februari 2022 niet betwist. Dat betekent dat [gedaagde] de bijbehorende bedragen moet betalen. De kantonrechter overweegt in verband daarmee als volgt.
4.13.
De kantonrechter constateert dat in de door VGZ overgelegde aanmaning van 21 september 2023 is opgenomen dat [gedaagde] tussen 1 juli 2023 en 21 september 2023 nog enkele bedragen heeft betaald van in totaal € 516,56.
In artikel 6:44 BW Pro is bepaald dat betaling van een op een bepaalde verbintenis toe te rekenen geldsom in de eerste plaats strekt in mindering van de kosten, vervolgens in mindering van de verschenen rente en ten slotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente.
VGZ heeft in haar aanmaning van 21 september 2023 opgenomen een bedrag van € 3.705,91 aan hoofdsom en een bedrag van € 128,95 aan wettelijke rente. Er werden op dat moment nog geen kosten gevorderd. Op grond van artikel 6:44 BW Pro strekte daarom het door [gedaagde] betaalde bedrag eerst in mindering op de verschenen rente. Het restant strekte in mindering op de hoofdsom en lopende rente. VGZ heeft hiermee het door [gedaagde] te betalen bedrag berekend op een saldo van € 3.318,30.
Hierboven heeft de kantonrechter geoordeeld dat een bedrag in mindering moet worden gebracht van € 358,66, zodat op 21 september 2023 een bedrag betaald moest worden van (€ 3.318,30 - € 358,66 =) € 2.959,64.
4.14.
VGZ heeft in de berekening van het door haar te vorderen bedrag in haar dagvaarding een bedrag aan hoofdsom opgenomen van € 3.705,91. VGZ heeft echter niet, althans onvoldoende gemotiveerd gesteld dat na 21 september 2023 nog nieuwe facturen van haar onbetaald zijn gebleven die de grondslag vormen voor een vordering aan hoofdsom van € 3.705,91. Daarom komt een bedrag van € 2.959,64 aan hoofdsom voor vergoeding in aanmerking.
[gedaagde] moet buitengerechtelijke kosten betalen.
4.15.
VGZ vordert aan buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 519,99. De aanmaning van 21 september 2023 waarin VGZ betaling van de buitengerechtelijke kosten vordert, voldoet aan de eisen van artikel 6:96 BW Pro. De hoogte van de vordering toetst de kantonrechter aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Het in de aanmaning opgenomen bedrag van € 537,17 is lager dan conform het Besluit berekend mag worden over een hoofdsom van € 3.318,30, zodat het lagere gevorderde bedrag van € 519,99 in beginsel toegewezen kan worden.
4.16.
De kantonrechter constateert dat VGZ in de berekening van het door haar te vorderen bedrag in haar dagvaarding heeft aangegeven dat [gedaagde] een bedrag heeft voldaan van € 658,51. De kantonrechter begrijpt uit deze berekening dat [gedaagde] na 21 september 2023 nog een bedrag van (€ 658,51 - € 516,56 =) € 141,95 heeft betaald, waarbij overigens niet blijkt op welke datum. Omdat nu wel kosten in rekening zijn gebracht, moet dit bedrag op grond van artikel 6:44 BW Pro in mindering moet worden gebracht op deze kosten. Daarom wijst de kantonrechter een bedrag van (€ 519,99 - € 141,95 =) € 378,04 aan buitengerechtelijke kosten toe.
[gedaagde] moet wettelijke rente betalen
4.17.
VGZ vordert volgens haar berekening van het door haar te vorderen bedrag in haar dagvaarding een bedrag van € 154,19 aan wettelijke rente tot en met 10 november 2023. De kantonrechter heeft hiervoor echter geoordeeld dat [gedaagde] met zijn betalingen tussen juli 2023 en 21 september 2023 de wettelijke rente tot en met 21 september 2023 al had voldaan. VGZ heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd gesteld op grond waarvan [gedaagde] een bedrag van € 154,19 aan wettelijke rente verschuldigd is tussen 21 september 2023 en 10 november 2023, te meer, omdat VGZ expliciet stelt dat zij wettelijke rente vordert vanaf de vervaldata van de vorderingen.
VGZ vordert daarnaast wettelijke rente over € 3.705,91 vanaf 10 november 2023 tot de dag der algehele voldoening. Hiervoor heeft de kantonrechter overwogen dat VGZ niet, althans onvoldoende heeft gesteld dat op 10 november 2023 een bedrag van € 3.705,91 open stond.
Op grond hiervan blijkt niet vanaf welk moment voor dagvaarding [gedaagde] in verzuim was van welk bedrag aan hoofdsom. De kantonrechter wijst daarom de gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom toe vanaf het moment van dagvaarden, waarbij wordt uitgegaan van de toe te wijzen hoofdsom van € 2.959,64.
4.18.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VGZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
130,48
- griffierecht
496,00
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punt × € 238,00)
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.221,48

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen een bedrag van (€ 2.959,64 + € 378,04=) € 3.337,68, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 2.959,64, vanaf het moment van dagvaarden, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.221,48, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2025.