ECLI:NL:RBZWB:2025:2466

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 april 2025
Publicatiedatum
24 april 2025
Zaaknummer
11544470 VV EXPL 25-13
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Badal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:231 lid 2 BWArt. 6:119 BWArt. 6:248 lid 2 BWArt. 3:13 BWArt. 174 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing ontruiming bedrijfsruimte en woning na sluiting door burgemeester

In deze kortgedingzaak vordert Inbev ontruiming van een bedrijfsruimte en woning die door [gedaagde] worden gehuurd. De burgemeester had het horecabedrijf gesloten op grond van artikel 2:71 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), een verordening als bedoeld in artikel 174 van Pro de Gemeentewet. Inbev heeft daarop de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden wegens verstoring van de openbare orde.

[gedaagde] betwist de rechtmatigheid van de sluiting en de ontbinding, onder meer omdat de bestuursrechtelijke procedures nog lopen en hij meent dat het besluit niet stand zal houden. De kantonrechter oordeelt echter dat het niet vereist is dat het besluit onherroepelijk is en dat onvoldoende aannemelijk is dat het besluit zal worden vernietigd. De buitengerechtelijke ontbinding wordt daarom voorlopig geacht stand te houden.

De belangenafweging leidt tot de conclusie dat het belang van Inbev bij ontbinding en ontruiming zwaarder weegt dan het woon- en inkomensbelang van [gedaagde]. De ontruiming van zowel het café als de woning wordt toegewezen, met een ontruimingstermijn van vier weken na betekening. Tevens worden gebruiksvergoeding, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toegewezen. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming van bedrijfsruimte en woning wordt toegewezen met een ontruimingstermijn van vier weken en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11544470 \ VV EXPL 25-13
Vonnis in kort geding van 22 april 2025
in de zaak van
INBEV NEDERLAND N.V.,
te Breda,
eisende partij,
hierna te noemen: Inbev ,
gemachtigde: mr. E.P.W. Korevaar,
tegen
[gedaagde] , H.O.D.N. [bedrijf],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. R.S. Namjesky.
De zaak in het kort
1.1. In deze zaak vordert Inbev in kort geding ontruiming van de door [gedaagde] gehuurde bedrijfsruimte en woning. De vraag die voorligt is of in een bodemprocedure aannemelijk is dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en [gedaagde] zal worden veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde.
1.2. De kantonrechter komt tot de conclusie dat er sprake is van een spoedeisend belang en het voorshands aannemelijk is dat de vorderingen van Inbev in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom dat zo is.

2 De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 5
- de producties 1 tot en met 4 van [gedaagde]
- productie 6 van Inbev
- de juiste productie 1 en een leesbare versie van productie 2 van Inbev
- de mondelinge behandeling van 8 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van Inbev en het ter zitting overgelegde e-mailbericht
- de pleitnota van [gedaagde] .

3.De feiten

3.1.
[gedaagde] huurt sinds 1 december 2012 van Inbev de bedrijfsruimte met woning aan [adres 1] / [adres 2] te [plaats] .
3.2.
Bij besluit van 23 augustus 2024 heeft de burgemeester van Breda (hierna: de burgemeester) de Alcoholwetvergunning van het horecabedrijf van [gedaagde] ingetrokken. [gedaagde] heeft hiertegen bezwaar ingediend en op 26 september 2024 is door de voorzieningenrechter het besluit van de burgemeester geschorst totdat op het bezwaar is beslist. Op 19 december 2024 heeft de burgemeester het bezwaar van [gedaagde] ongegrond verklaard, waarna [gedaagde] een beroepschrift tegen dat besluit heeft ingediend. De zitting bij de rechtbank heeft op 3 april 2025 plaatsgevonden.
3.3.
Op 11 december 2024 is [gedaagde] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden en een verbod tot uitoefening van het beroep van caféhouder voor de duur van 4 jaar. Tegen deze uitspraak is [gedaagde] in hoger beroep gegaan.
3.4.
Op 13 december 2024 heeft de burgemeester het horecabedrijf van [gedaagde] met onmiddellijke ingang gesloten voor de duur van vier weken. Dit besluit is per brief van 17 december 2024 toegelicht door de burgemeester. Op 23 december 2024 is tegen dit besluit bezwaar ingediend door [gedaagde] .
3.5.
Inbev heeft de huurovereenkomst bij brief van 19 december 2024 buitengerechtelijk ontbonden op grond van artikel 7:231 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) met onmiddellijke ingang. Aan [gedaagde] is tot 31 januari 2025 gelegenheid gegeven om het gehuurde te ontruimen.
3.6.
[gedaagde] heeft het gehuurde niet ontruimd.

4.Het geschil

4.1.
Inbev vordert samengevat - ontruiming van het pand aan [adres 1] / [adres 2] te [plaats] , buitengerechtelijke incassokosten en een gebruiksvergoeding gelijk aan de huur vanaf 1 april 2025 tot en met de dag van ontruiming. Ook vordert Inbev dat [gedaagde] in de proceskosten wordt veroordeeld. Inbev wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
4.2.
Inbev heeft ontruiming van het gehuurde verzocht. Primair omdat [gedaagde] zonder recht of titel gebruik maakt van het gehuurde wegens de buitengerechtelijke ontbinding. Subsidiair wegens ernstige tekortkomingen uit de huurovereenkomst. Die tekortkomingen van [gedaagde] bestaan uit het feit dat [gedaagde] het gehuurde op dit moment niet als horecabedrijf exploiteert, maar hij hiertoe wel verplicht is (artikel 9.1.2), dat [gedaagde] in 2024 niet de verplichte bierafname van 100 hectoliter heeft gehaald en in 2025 waarschijnlijk ook niet gaat halen (artikel 9.2) en dat [gedaagde] niet meer in het bezit is van de juiste vergunningen en/of ontheffingen, terwijl hij hier zelf verantwoordelijk voor is (artikel 9.4).
4.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Inbev , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Inbev , met veroordeling van Inbev in de kosten van deze procedure.
4.4.
[gedaagde] voert het volgende aan. De besluiten van de burgemeester en de strafrechtelijke veroordeling zijn niet onherroepelijk. Weliswaar hoeft de uitkomst van de bezwaar- en beroepsprocedure niet afgewacht te worden. maar het is volgens [gedaagde] aannemelijk dat het besluit van de burgemeester om het horecabedrijf te sluiten zal worden vernietigd wegens één of meer motiveringsgebrek(en). Als dat het geval is dan ontbreekt de grondslag voor de buitengerechtelijke ontbinding door Inbev . In het besluit van 17 december 2024 is opgenomen dat het café is gesloten wegens maatschappelijk onrust na de strafrechtelijke veroordeling van [gedaagde] . Dat er sprake van maatschappelijke onrust is zou volgens het besluit uit een bestuurlijke rapportage van de politie volgen. Die bestuurlijke rapportage was niet bij het besluit gevoegd en is nog steeds niet in het bezit van [gedaagde] . Volgens [gedaagde] is er geen sprake van maatschappelijk onrust en wegens het ontbreken van de bestuurlijke rapportie is die maatschappelijke onrust niet onderbouwd door de burgemeester. Hij stelt dat de burgemeester er alles aan doet om het café te sluiten. Ook heeft Inbev onterecht gebruik gemaakt van de buitengerechtelijke ontbinding. Het besluit van de burgemeester is namelijk niet gebaseerd is op artikel 174 van Pro de Gemeentewet maar op artikel 2:71 van Pro de van de Algemene Plaatselijke Verordening 2018 (APV), zodat Inbev de huurovereenkomst niet mocht ontbinden. Bovendien heeft [gedaagde] het bepaalde in artikel 2:71 APV Pro niet overtreden. [gedaagde] vindt dan ook dat er een grote mate van aannemelijkheid is dat het besluit van de burgemeester geen stand zal houden. Daarnaast betwist [gedaagde] dat er sprake is van tekortkomingen die aan hem kunnen worden toegerekend. Die tekortkomingen zijn het gevolg van de onrechtmatige sluiting van het café.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Voldoende spoedeisend belang
5.1.
Toewijzing van de vordering van Inbev is alleen mogelijk als er sprake is van een spoedeisend belang. Dat betekent dat het belang van Inbev zodanig moet zijn dat van haar niet verwacht kan worden dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Inbev heeft aangevoerd dat zij per brief van 19 december 2024 de huurovereenkomst buitengerechtelijke heeft ontbonden en [gedaagde] verzocht heeft het gehuurde uiterlijk op 31 januari 2025 te ontruimen. [gedaagde] heeft aan dat verzoek geen gehoor gegeven. Volgens Inbev verblijft [gedaagde] dus zonder recht of titel in de woning. Naar het oordeel van de kantonrechter staat het Inbev dan ook vrij om een voorlopige voorziening te starten om de in haar ogen onrechtmatige situatie te doen beëindigen. Ook is volgens Inbev de kans reëel dat in een bodemprocedure pas na minimaal zes maanden uitsluitstel kan worden gegeven over de uitkomst van de buitengerechtelijke ontbinding. Gelet op die periode is het in de optiek van Inbev aannemelijk dat de huur niet meer kan worden betaald, omdat [gedaagde] door de sluiting van het gehuurde niet aan haar exploitatie- en drankafnameplicht kan voldoen en daardoor inkomsten mist. Bovendien heeft Inbev onweersproken gesteld dat er andere geïnteresseerden zijn om het pand te huren, en zolang [gedaagde] het gehuurde niet ontruimt, heeft Inbev schade vanwege – zo begrijpt de kantonrechter – het niet opnieuw kunnen verhuren van het pand. Naar het oordeel van de kantonrechter is gelet het op het voorgaande het spoedeisend belang van Inbev gegeven.
[gedaagde] verblijft zonder recht of titel in het gehuurde
5.2.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat ontruiming van een gehuurd pand een ingrijpende maatregel is. In kort geding is het slechts verantwoord een daartoe strekkende voorziening te treffen indien in voldoende mate aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de huurovereenkomst is ontbonden en (dus) dat de huurder geen recht of titel meer heeft om in het gehuurde te verblijven. Die situatie doet zich naar het oordeel van de kantonrechter voor. Aan dat oordeel ligt het volgende ten grondslag.
5.3.
Artikel 7:231 lid 2 van Pro het BW geeft de verhuurder expliciet de bevoegdheid een huurovereenkomst door een schriftelijke verklaring buitengerechtelijk te ontbinden als door gedragingen in of in de onmiddellijke nabijheid van het gehuurde de openbare orde ernstig is verstoord of ernstige vreest bestaat voor het ontstaan van een zodanige verstoring en het gehuurde daarom op grond van artikel 174a van de Gemeentewet dan wel op grond van een verordening als bedoeld in artikel 174 van Pro die wet is gesloten. Inbev heeft de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden, omdat het gehuurde op grond van artikel 174 van Pro de Gemeentewet door de burgemeester is gesloten. De kantonrechter kan in deze situatie de buitengerechtelijke ontbinding daarom alleen toetsen aan de feitelijke sluiting van het gehuurde.
5.4.
Uit het besluit van 17 december 2024 volgt dat de burgemeester het voor het publiek openstaande gebouw heeft gesloten op grond van artikel 2:71 APV Pro. De APV is een verordening als bedoeld in artikel 174 van Pro de Gemeentewet. De kantonrechter volgt dan ook niet het standpunt van [gedaagde] dat de sluiting niet is gestoeld op artikel 174 van Pro de Gemeentewet. De sluiting van het café is door de burgemeester gedaan in het belang van de openbare orde en veiligheid in en rondom het café. [gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit. Volgens Inbev is dat bezwaar ingetrokken, wat blijkt uit een e-mailbericht van de gemeente Breda . Door [gedaagde] wordt betwist dat hij dat bezwaar heeft ingetrokken. Het staat daarom nog niet vast of dat besluit onherroepelijk is.
5.5.
Uit de wetsgeschiedenis van en de rechtspraak over artikel 7:231 lid 2 BW Pro volgt dat de verhuurder niet hoeft af te wachten wat de uitkomst is van eventuele door de huurder tegen het sluitingsbesluit aangewende bestuursrechtelijke rechtsmiddelen. Met artikel 7:231 lid 2 BW Pro is beoogd de verhuurder de mogelijkheid te bieden zo spoedig mogelijk de huurovereenkomst te beëindigen en in het pand een nieuwe huurder toe te laten. Met dat doel strookt niet dat de verhuurder de huurovereenkomst pas buitengerechtelijk kan ontbinden wanneer het besluit tot sluiting onherroepelijk is geworden. Daarbij komt dat het beginsel van formele rechtskracht meebrengt dat de civiele rechter in beginsel moet uitgaan van de geldigheid van een besluit van een bestuursorgaan indien daartegen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan of open staat en die rechtsgang niet tot vernietiging van het besluit heeft geleid. Daarbij is niet vereist dat het besluit onherroepelijk is. Het besluit van de burgemeester tot sluiting van het pand ligt in deze civiele procedure niet ter toetsing voor. Slechts in het geval dat een huurder bepleitbare argumenten heeft voor het standpunt dat het besluit van de burgemeester in een te voeren bestuursrechtelijke procedure geen stand zal houden en in dat geval de grondslag voor de buitengerechtelijke ontbinding ontbreekt, kan de kantonrechter tot het oordeel komen dat met voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat een vordering tot ontruiming van het gehuurde in een bodemprocedure ook geen stand zal houden. Dat is hier niet het geval. Het argument van [gedaagde] dat de bestuurlijke rapportage ontbreekt en daarmee de maatschappelijke onrust die zou zijn ontstaan niet vaststaat is door hem onvoldoende onderbouwd gesteld. Het enkele feit dat hij niet in het bezit is van de bestuurlijke rapportage maakt niet aannemelijk dat het besluit zal worden vernietigd. Gelet op wat [gedaagde] heeft aangevoerd kan op voorhand niet met voldoende mate van zekerheid worden aangenomen dat het argument van [gedaagde] slaagt en daarmee het besluit zal worden vernietigd. Dit heeft tot gevolg dat de kantonrechter het aannemelijk acht dat in een bodemprocedure de buitengerechtelijke ontbinding stand zal houden en de ontruiming van het gehuurde in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
5.6.
De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of het gebruikmaken van de bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst door Inbev en de gevorderde ontruiming van het gehuurde naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (artikel 6:248 lid 2 BW Pro) dan wel misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW Pro) opleveren. Daarbij dient de kantonrechter de proportionaliteit te toetsen door de vraag te beantwoorden of, gegeven de belangen van de verhuurder bij de buitengerechtelijke ontbinding en de gevorderde ontruiming, de belangen van de huurder bij voortgezette bewoning niet onevenredig worden aangetast (artikel 8 EVRM Pro).
5.7.
De kantonrechter oordeelt dat de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is en dat Inbev van haar bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden ook geen misbruik heeft gemaakt. De burgemeester heeft het pand namelijk gesloten op grond van artikel 174 van Pro de Gemeentewet. Hoewel [gedaagde] stelt dat de burgemeester alles op alles zet om het café te sluiten en gesloten te houden, is dat standpunt niet op concrete wijze onderbouwd door [gedaagde] . Daarom zal aan die stelling van [gedaagde] als onvoldoende onderbouwd voorbij worden gegaan. Inbev mocht dan ook de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbinden vanwege de sluiting door de burgemeester.
5.8.
Ook wanneer de belangen van [gedaagde] worden afgewogen tegen de belangen van Inbev wegen naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter de belangen van Inbev zwaarder. [gedaagde] stelt dat zijn belang is gelegen in zijn woonbelang en het feit dat hij voor zijn inkomen afhankelijk is van zijn onderneming. Hij heeft zich altijd als goed huurder gedragen door drank van Inbev af te nemen en de betaling daarvan vindt altijd binnen veertien dagen plaats. Ook betaalt hij de huur op tijd. Tegenover dit belang staat het belang van Inbev . Haar belang is gelegen in het feit dat [gedaagde] is veroordeeld voor een ernstig zedendelict waarna het gehuurde door de burgemeester is gesloten wegens aantasting van de openbare orde en veiligheid van bezoekers van het café. Het café is ‘gay minded’ en het is van belang dat bezoekers zich veilig voelen. Door de media-aandacht voor de strafzaak heeft Inbev reputatieschade geleden, omdat het pand met foto’s in de krant en op websites heeft gestaan. Het belang is volgens Inbev bovendien gelegen in het feit dat zij verwacht dat [gedaagde] geen inkomsten heeft wegens schending van de exploitatie- en drankafnameplicht, zoals opgenomen in de huurovereenkomst. Het is weliswaar evident dat dat een ontruiming voor [gedaagde] ingrijpend is, maar de door hem gestelde omstandigheden over zijn woonbelang en het feit dat hij voor zijn inkomen afhankelijk is van het café, leggen onvoldoende gewicht in de schaal om te kunnen concluderen dat zijn belang moet prevaleren boven het belang van Inbev . Het verweer van [gedaagde] dat er weinig huurwoningen in zijn prijsklasse beschikbaar zijn, rechtvaardigt niet de conclusie dat dat de ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid achterewege moet blijven. Dit geldt ook voor het verweer over zijn inkomen. Het ligt op de weg van [gedaagde] om zelf maatregelen te treffen om de eventuele nadelige gevolgen van een ontruiming te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dat [gedaagde] de huur en drankafname altijd heeft betaald, doet niets af aan de sluiting van het pand door de burgemeester en rechtvaardigt niet de conclusie dat de ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid achterwege zou moeten blijven. Gelet op de genoemde belangenafweging is de buitengerechtelijke ontbinding dan ook geen disproportionele maatregel.
5.9.
Het voorgaande betekent dat Inbev op goede gronden gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Dit betekent dat de gevorderde ontruiming zal worden toegewezen.
Ontruiming van café en woning
5.10.
Het gehuurde bestaat uit een café en een onzelfstandige woonruime. Door Inbev is onweersproken gesteld dat de woning boven is en de decibellen die beneden in het café worden geproduceerd te horen zijn in de woning, waardoor er een zodanige verbondenheid is tussen het café en de woning dat die ruimtes niet los van elkaar verhuurd kunnen worden. Naar het oordeel van de kantonrechter kan van Inbev daarom niet verwacht worden dat de ontruiming enkel ziet op het café en niet ook op de woning.
5.11.
Gelet op het voorgaande acht de kantonrechter het aannemelijk dat in een bodemprocedure de buitengerechtelijke ontbinding van het gehuurde (zowel het café als de woning) stand zal houden. Zodoende zal de vordering tot ontruiming worden toegewezen. Om die reden hoeft de kantonrechter niet meer op de subsidiaire vordering te beslissen.
Ontruimingstermijn
5.12.
Inbev heeft gevorderd het gehuurde te ontruimen, maar heeft daarbij geen termijn voor ontruiming gesteld. Door [gedaagde] is gevraagd om – indien de vordering wordt toegewezen – een ruimere termijn dan hanteren voor de ontruiming van het gehuurde. Inbev heeft geen bezwaar gemaakt tegen een termijn van twee weken. De kantonrechter zal echter een termijn van vier weken na betekening van het vonnis hanteren, omdat die termijn om het gehuurde te ontruimen redelijk voorkomt.
Gebruiksvergoeding
5.13.
Inbev vordert een bedrag van € 3.399,74 per maand aan gebruiksvergoeding vanaf april 2025. Aangezien dit een vergoeding is voor gebruik van het gehuurde, terwijl de huurovereenkomst al is ontbonden, acht de kantonrechter het redelijk om aansluiting te zoeken bij het bedrag van de maandelijkse huur. [gedaagde] heeft na de buitengerechtelijke ontbinding ook een bedrag gelijk aan de maandelijkse huur voldaan. Zodoende zal de gevorderde gebruiksvergoeding worden toegewezen tot en met de dag van ontruiming. [gedaagde] stelt dat hij tot en met april 2025 heeft betaald. Als blijkt dat [gedaagde] een bedrag van € 3.399,74 voor de maand april 2025 heeft betaald, dient die betaling logischerwijs niet nogmaals op [gedaagde] verhaald te worden.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.14.
Inbev vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Daarom zal een bedrag van € 458,97 worden toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.15.
Inbev verzoekt het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat Inbev het vonnis direct kan (laten) uitvoeren, als [gedaagde] niet aan het vonnis (waaronder de veroordeling tot ontruiming) voldoet. [gedaagde] kan dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als hij hoger beroep heeft ingesteld en nog niet op dat hoger beroep is beslist. Het uitgangspunt is dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de belangen van [gedaagde] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten zwaarder wegen dan de belangen van Inbev om direct over te kunnen gaan tot uitvoering van het vonnis. De belangen die hierbij worden meegewogen, zijn genoemd onder overweging 5.8. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval de belangen van Inbev zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde] . Ook heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd tegen de vordering om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daarom zal het vonnis volgens het uitgangspunt uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
.
Proceskosten
5.16.
[gedaagde] , h.o.d.n. [bedrijf] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Inbev worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,16
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.207,16
5.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis het pand aan [adres 1] / [adres 2] te [plaats] te verlaten en te ontruimen met de zijnen en met het zijne, onder afgifte van de sleutels en eventuele codes van installaties en toegangspassen voor het alarm,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Inbev te betalen een bedrag van € 458,97 aan buitengerechtelijke kosten,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een gebruiksvergoeding gelijk aan de huur van € 3.399,74 per maand, een gedeelte van een maand daaronder begrepen vanaf l april 2025 tot en met de dag van ontruiming;
6.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.207,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Badal en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2025.