ECLI:NL:RBZWB:2025:2470

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2025
Publicatiedatum
24 april 2025
Zaaknummer
11393080 \ CV EXPL 24-4038 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Wetboek van KoophandelArt. 140 lid 3 RvArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke aansprakelijkheid vennoten voor niet-betaalde facturen VOF ondanks ontbinding

Eiser verkocht drank en verhuurde zaken aan een VOF, waarvan facturen niet volledig werden betaald. Tijdens de procedure bleek dat de VOF al vóór dagvaarding was ontbonden, maar dit ontslaat de vennoten niet van hun hoofdelijke aansprakelijkheid. De VOF en haar vennoten werden veroordeeld tot betaling van €1.799,09 plus rente en buitengerechtelijke kosten.

De kantonrechter oordeelde dat de VOF nog niet was opgehouden te bestaan omdat vereffening en verdeling niet waren afgerond, waardoor de vordering op de VOF ook toewijsbaar was. Verweren van de VOF, zoals het ontbreken van afhaalbonnen en het altijd contant betalen, werden niet gegrond verklaard.

De rechtbank wees de vordering toe, inclusief wettelijke handelsrente vanaf 1 juli 2020 en incassokosten conform het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. De proceskosten werden eveneens aan eiser toegewezen. Tegen een vennoot werd verstek verleend, waardoor het vonnis ook tegen haar geldt.

Uitkomst: VOF en vennoten worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van openstaande facturen, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11393080 \ CV EXPL 24-4038
Vonnis van 16 april 2025
in de zaak van
[eiser] H.O.D.N. [bedrijf],
te [plaats 1]
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen

1.[de VOF] ,

gevestigd en kantoorhoudend in [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de VOF,
procederend in persoon,

2.2. [vennoot 1] , vennoot van [de VOF] ,

wonend in [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [vennoot 1] ,
procederend in persoon,
3.
[vennoot 2], vennoot van [de VOF] ,
wonend in [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [vennoot 2] ,
niet verschenen.

1.De zaak in het kort

[eiser] heeft drank verkocht en zaken zoals merkglazen verhuurd aan de VOF. De facturen zijn niet volledig betaald. Daarom vordert [eiser] in deze procedure betaling door de VOF en door haar vennoten. Tijdens de procedure blijkt dat de VOF al voor het moment van dagvaarden was ontbonden en beëindigd. Dat doet echter niet af aan de aansprakelijkheid van de - inmiddels voormalige - vennoten. Het verder gevoerde verweer staat ook niet in de weg aan toewijzing van de vordering, zodat toewijzing volgt. Hieronder legt de kantonrechter de beoordeling uit.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de akte van [eiser]
- de akte van [de VOF] .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:
- [eiser] handelt onder de naam [bedrijf] als verkoper van dranken en verhuurder van zaken als gebaksbordjes, lepels en merkglazen.
- De VOF, voorheen handelend onder de naam [VOF 2] , heeft in 2018 en 2019 diverse dranken gekocht en zaken gehuurd bij [eiser] . De VOF betaalde contant.
- Via Whatsapp heeft de VOF diverse bestellingen geplaatst en diverse keren aangegeven te betalen.
- [eiser] heeft voor de gekochte en gehuurde zaken facturen gestuurd op naam van In de [VOF 2] .
- [eiser] heeft de VOF vanaf begin 2019 diverse keren aangemaand om achterstallige factuurbedragen te betalen.
- Op 2 juni 2020 en 1 februari 2024 heeft [eiser] per post een aanmaning gestuurd waarin hij verzoekt om het openstaande bedrag van € 1.799,00 te betalen.
- Op 9 augustus 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] een brief gestuurd waarin wordt gesommeerd om een bedrag van € 2.955,78 inclusief rente en incassokosten te betalen.
- Daarna worden er door de gemachtigde van [eiser] en door [de VOF] over en weer diverse berichten gestuurd en is er ook telefonisch contact over de vordering van [eiser] en een eventuele betalingsregeling. [de VOF] betaalt het gevorderde niet.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van gedaagde partijen tot betaling van € 3.004,87, vermeerderd met rente en kosten.
4.2.
[eiser] voert daarvoor aan dat de VOF diverse dranken heeft gekocht en zaken heeft gehuurd, zonder daarvoor de facturen volledig te betalen. [eiser] geeft daarbij het volgende overzicht van facturen in verband met deze bestellingen:
Factuur
Datum
Bedrag
[Factuurnummer 1]
30-12-2028
€485,16
[Factuurnummer 2]
07-02-2019
€245,53
[Factuurnummer 3]
07-02-2019
€884,12
[Factuurnummer 4]
07-02-2019
€1.082,75
[Factuurnummer 5]
15-02-2019
€1.162,17
[Factuurnummer 6]
11-03-2019
€686,19
[Factuurnummer 7]
22-03-2019
€217,80
[Factuurnummer 8]
05-04-2019
€1.871,04
[Factuurnummer 9]
12-06-2019
€21,78
[Factuurnummer 10]
17-06-2019
€6,05
Totaal
€6.662,59
Volgens [eiser] zijn de volgende contante betalingen, in totaal een bedrag van € 4.863,50, gedaan:
[kasontvangst 1]
€450,00
NVW
te weinig
[kasontvangst 2]
€32,00
???
[kasontvangst 3]
€881,50
Vw
Factuur
[kasontvangst 4]
€850,00
NVW
Te weinig
[kasontvangst 5]
€650,00
NVW
Te weinig
[kasontvangst 6]
€2.000,00
vw
aanbetaling
Daardoor staat nog een bedrag open van € 1.799,09. Volgens [eiser] heeft de VOF erkend dat zij de facturen moet betalen.
4.3.
[de VOF] voert verweer en concludeert dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
4.4.
[de VOF] heeft als eerste aangevoerd dat de VOF in 2021 is ontbonden en daarom niet meer gedagvaard kan worden. Verder herinnert [de VOF] zich niets meer, omdat het al ruim 4,5 jaar geleden is. Ook is er volgens hem nooit een overzicht wat nog verschuldigd is met afhaal- en/of pakbonnen door [eiser] aangeleverd als bewijs. Tot slot kon hij nooit zakelijk op rekening kopen en moest hij altijd contant betalen aan [eiser] . Als de afhaal- en of pakbonnen alsnog worden aangeleverd door [eiser] dan is [de VOF] bereid om het reeds verschuldigde bedrag te betalen.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter stelt voorop dat vennoten van een vennootschap onder firma (vof) op grond van artikel 18 van Pro het Wetboek van Koophandel hoofdelijk aansprakelijk zijn voor verplichtingen (overeenkomsten) die tijdens het bestaan van de vof zijn aangegaan. Hoofdelijk betekent dat elke vennoot door de schuldeiser voor het geheel van de verplichtingen kan worden aangesproken. Deze hoofdelijke aansprakelijkheid eindigt niet vanzelf wanneer de vof wordt beëindigd. [de VOF] en [vennoot 2] blijven daarom tegenover [eiser] hoofdelijk aansprakelijk voor de door de verplichtingen die de VOF is aangegaan.
Gedaagde onder 3: er wordt verstek verleend
5.2.
[vennoot 2] heeft niet op de dagvaarding gereageerd of om uitstel verzocht. Wel is zij volgens de voorgeschreven termijn en formaliteiten gedagvaard. Daarom wordt tegen haar verstek verleend. Doordat [de VOF] wel is verschenen, wordt op grond van artikel 140 lid 3 Rv Pro één vonnis gewezen dat voor alle partijen als een vonnis op tegenspraak geldt.
Gedaagde onder 2: de vordering wordt toegewezen
5.3.
Uit de overgelegde Whatsappberichten blijkt dat de VOF in de persoon van [de VOF] meerdere keren aan [eiser] heeft gevraagd om zaken te leveren. Op de facturen van 2019 en 2020 staat gespecificeerd wat de VOF bij [eiser] heeft besteld en wat aan emballage retour is genomen. Uit de Whatsappberichten en brieven blijkt ook dat [eiser] meerdere keren kort na bestellingen de VOF heeft aangemaand om te betalen. De betalingsherinnering van 1 februari 2024 is gelijk aan de laatst daarvoor gestuurde herinnering van 2 juni 2020. [de VOF] heeft niet betwist dat hij de Whatsappberichten, facturen en betalingsherinneringen heeft ontvangen. Dat hij na enkele jaren niet meer weet waarover het gaat, moet daarom voor zijn rekening en risico blijven.
5.4.
[de VOF] heeft gesteld dat [eiser] nooit een duidelijk overzicht heeft aangeleverd wat de VOF officieel nog verschuldigd zou zijn door middel van getekende afhaal- en/of pakbonnen. Zonder nadere toelichting, die hier ontbreekt, blijkt echter niet op grond waarvan het verstrekken van (een overzicht van) afhaal- en/of pakbonnen een vereiste is voor nakoming van een betalingsverplichting door de VOF. [de VOF] stelt niet dat partijen dit hebben afgesproken, noch volgt dit uit de wet. Bovendien staat op de facturen een duidelijke specificatie en heeft [de VOF] de facturen niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Tot slot blijkt uit de overgelegde Whatsappberichten dat [de VOF] meerdere keren betaling heeft toegezegd, maar dat dit uitbleef, omdat hij eerst een belastingschuld moest betalen. Daarom gaat de kantonrechter aan dit verweer voorbij.
5.5.
Als laatste heeft [de VOF] aangevoerd dat de VOF nooit zakelijk op rekening kon kopen bij [eiser] , maar altijd bij of voor levering contant moest betalen. [de VOF] heeft echter niet gesteld of gemotiveerd wat hiervan het (rechts-)gevolg is, zodat de kantonrechter aan dit verweer voorbij gaat.
5.6.
Op grond van deze overwegingen is de kantonrechter van oordeel dat [de VOF] de vordering tot betaling van diverse factuurbedragen onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De kantonrechter wijst daarom de vordering van [eiser] tot betaling van een bedrag van € 1.799,09, toe.
Gedaagde onder 1: de vordering wordt ook toegewezen tegen de VOF
5.7.
De kantonrechter stelt vast dat uit de overgelegde informatie van de Kamer van Koophandel blijkt dat [de VOF] is ontbonden en beëindigd per 31 december 2021. Anders dan [de VOF] aanvoert, betekent dat niet zonder meer dat de VOF op dat moment is opgehouden te bestaan. Gesteld noch gebleken is dat de vereffening en verdeling zijn afgerond. Ook een VOF in liquidatie kan als procespartij worden aangesproken. Het betreft ook een vordering die is aangegaan door de VOF. Om redenen zoals vermeld onder 5.6 wordt dan ook de vordering op [de VOF] toegewezen.
Wettelijke rente
5.8.
[eiser] vordert betaling van wettelijke handelsrente, omdat de VOF niet heeft betaald binnen 14 dagen na ontvangst van de facturen. De vervaldata op de facturen zijn bepaald op 14 dagen na de factuurdatum. Op grond van artikel 6:119 BW Pro is een partij wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van verzuim. Het verzuim van de VOF is in deze zaak daarom in beginsel ingetreden iedere keer nadat de vervaldatum op de factuur was verstreken zonder (volledige) betaling.
[eiser] heeft de volgende berekening in zijn dagvaarding opgenomen:
Daaruit volgt dat [eiser] aan rente een bedrag vordert van € 935,92. De uitgangspunten voor de renteberekening zijn in de dagvaarding echter slechts gedeeltelijk toegelicht. Zo blijkt niet wanneer de betalingen van de VOF zijn ontvangen, zodat niet duidelijk is wanneer de VOF van betaling van welke deel van welke factuur in verzuim was.
Wel heeft [eiser] aan de VOF een ingebrekestelling gestuurd op 2 juni 2020 waarin hij de VOF verzocht om voor het einde van de maand het openstaande bedrag van € 1.799,09 te betalen. Op grond daarvan was de VOF in ieder geval vanaf de eerste dag van de daarop volgende maand, dus per 1 juli 2020, in verzuim. Op grond daarvan wijst de kantonrechter de gevorderde rente over de hoofdsom toe met ingang van 1 juli 2020.
Buitengerechtelijke kosten
5.9.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Omdat het gevorderde bedrag overeen komt met wat op grond van het Besluit in rekening mag worden gebracht, wijst de kantonrechter het gevorderde bedrag van € 269,86 toe.
5.10.
[de VOF] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
117,56
- griffierecht
248,00
- salaris gemachtigde
357,00
(1,5 punten × € 238,00)
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
841,56
5.11.
De kantonrechter merkt uitdrukkelijk op dat de veroordeling tot betaling hoofdelijk wordt uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde, zowel [de VOF] als [vennoot 2] , kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt de VOF en [de VOF] en [vennoot 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.799,09, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag, met ingang van 1 juli 2020, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt de VOF en [de VOF] en [vennoot 2] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 269,86 aan buitengerechtelijke kosten,
6.3.
veroordeelt de VOF en [de VOF] en [vennoot 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 841,56, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de VOF en [de VOF] en [vennoot 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2025.