ECLI:NL:RBZWB:2025:2473

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 april 2025
Publicatiedatum
24 april 2025
Zaaknummer
25/1747 VEROR
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Verordening tegemoetkoming bekostiging leerlingenvervoer Breda 2023Art. 9 Verordening tegemoetkoming bekostiging leerlingenvervoer Breda 2023Art. 32 Verordening tegemoetkoming bekostiging leerlingenvervoer Breda 2023
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening leerlingenvervoer per taxibus voor zoon met begeleiding

Verzoeker diende op 15 januari 2025 een aanvraag in voor leerlingenvervoer per taxibus voor zijn zoon, die begeleiding nodig heeft om van en naar school te gaan. Het college van burgemeester en wethouders van Breda wees dit verzoek op 21 februari 2025 af, waarna verzoeker bezwaar maakte en tevens een voorlopige voorziening verzocht bij de voorzieningenrechter.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 24 april 2025 en oordeelde dat de ouders in beginsel verantwoordelijk zijn voor het vervoer, zoals bepaald in artikel 7 van Pro de Verordening tegemoetkoming bekostiging leerlingenvervoer Breda 2023. Verzoeker had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij en zijn vrouw niet in staat zijn hun zoon te vervoeren. Bovendien is de afstand van woning naar school slechts 4 km, terwijl voor een vervoersvoorziening een afstand van meer dan 6 km vereist is.

Hoewel er sprake is van een bijzonder geval vanwege de benodigde begeleiding, heeft het college reeds een passende voorziening getroffen door een OV-pas met begeleiderspas en een reismaatje via een gespecialiseerde stichting aan te bieden. Verzoeker weigerde dit aanbod zonder gegronde reden. Het college heeft toegezegd dat de begeleiding nog voor het einde van de meivakantie geregeld kan zijn en dat indien dit niet voldoet alsnog taxibusvervoer kan worden toegekend.

Gelet op deze omstandigheden is het bestreden besluit niet onrechtmatig en is er geen aanleiding voor een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen en er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor leerlingenvervoer per taxibus wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1747 VEROR
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. C.G.A. Mattheussens),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda.

Inleiding

1. Verzoeker heeft op 15 januari 2025 bij het college een aanvraag ingediend voor leerlingenvervoer per taxibus voor zijn zoon.
1.1.
Het college heeft verzoekers aanvraag met het bestreden besluit van 21 februari 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en namens het college mr. S.S. Hyder en [naam] .
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Niet in geschil is dat verzoekers zoon begeleiding nodig heeft om van en naar school te gaan. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Verordening tegemoetkoming bekostiging leerlingenvervoer Breda 2023 (de Verordening) zijn de ouders in beginsel verantwoordelijk voor het vervoer van en naar school. Verzoeker heeft met zijn verklaringen en de door hem overgelegde stukken onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij en zijn vrouw niet in staat zijn hun zoon van en naar school te vervoeren.
4. Daarnaast kan volgens artikel 9, eerste lid, van de Verordening alleen een vervoersvoorziening worden toegekend als de afstand van de woning naar de school meer dan 6 km bedraagt. In dit geval bedraagt die afstand slechts 4 km.
5. Op grond van artikel 32, eerste lid van de Verordening kan van de bepalingen in de Verordening worden afgeweken als sprake is van een bijzonder geval. Er is hier sprake van een bijzonder geval, omdat verzoekers zoon begeleiding nodig heeft om van en naar school te gaan.
6. Het college heeft voor dit schooljaar al een vervoersvoorziening toegekend in de vorm van een ‘[pas]’ voor het openbaar vervoer met een begeleiderspas. Omdat de oudere dochters van verzoeker sinds januari 2025 niet meer voor begeleiding kunnen zorgen, heeft het college voor de begeleiding een reismaatje via ‘ [traject] ’ van [stichting] aangeboden. De voorzieningenrechter vindt dit een passende voorziening. Verzoeker is echter niet op dit aanbod ingegaan. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij en zijn vrouw geen vertrouwen in ‘ [traject] ’ hebben gelet op de gedragsproblemen van hun zoon. Dit is echter geen goede reden om het aanbod van het college te weigeren. [stichting] heeft ervaring met het begeleiden van personen met diverse soorten problematiek en kan ook de begeleiding van verzoekers zoon verzorgen.
7. Ter zitting heeft verzoeker gesteld dat het schooljaar nog maar twee maanden duurt en dat onduidelijk is wanneer de begeleiding via [stichting] zou kunnen beginnen. Het college heeft daarop toegezegd dat de begeleiding door een reismaatje via ‘ [traject] ’ nog voor het einde van de meivakantie, die tot 6 mei 2025 duurt, geregeld kan worden.
8. Het college heeft ook toegezegd dat als medewerking wordt verleend aan ‘ [traject] ’ en dit toch niet de oplossing blijkt te zijn voor de begeleiding van verzoekers zoon, er alsnog vervoer per taxibus zal worden toegekend.
9. Gelet op het voorgaande is er vooralsnog geen aanleiding om het bestreden besluit onrechtmatig te achten. Er is dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
11. Het college heeft nog meegegeven dat als verzoeker alsnog gebruik wil maken van het aanbod van begeleiding via ‘ [traject] ’, hij dat zo spoedig mogelijk moet melden bij de gemeente, zodat een en ander op tijd kan worden geregeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2025 door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.