ECLI:NL:RBZWB:2025:2478

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 april 2025
Publicatiedatum
25 april 2025
Zaaknummer
BRE 21/5161
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:69 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar WOZ-beschikking en belastingaanslagen ongegrond verklaard

Belanghebbende B.V. heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 december 2023, waarin het beroep ongegrond werd verklaard omdat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was verklaard wegens het ontbreken van een machtiging van bevoegde bestuurders en een uittreksel uit het handelsregister.

De rechtbank heeft het verzet op 11 april 2025 behandeld. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende als verzetsgrond aangevoerd dat de toegekende immateriële schadevergoeding te laag was vastgesteld. De rechtbank constateert echter dat er geen gronden zijn aangevoerd tegen het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is verklaard, waardoor dit oordeel onbestreden blijft.

Gezien het feit dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en binnen de redelijke termijn is beslist, is er geen aanleiding voor een immateriële schadevergoeding. Ook is het niet aannemelijk dat belanghebbende nog spanning en frustratie had over de WOZ-beschikking en de aanslagen.

De rechtbank ziet af van herziening van de eerdere uitspraak en verklaart het verzet ongegrond. Tevens wijst zij het verzoek om aanvullende immateriële schadevergoeding af en ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar wordt ongegrond verklaard en het verzoek om aanvullende immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 21/5161

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2025 op het verzet van

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 december 2023 in het geding tussen
belanghebbende
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 22 december 2023, verzonden op 3 januari 2024, waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond heeft verklaard, omdat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De zaak ziet op de WOZ-beschikking voor het object [adres] , alsmede de gelijktijdig opgelegde aanslag onroerendezaakbelasting en rioolheffing met aanslagnummer [nummer] .
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 11 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben mr. Bartels en namens de heffingsambtenaar mr. A.G. Hendriks deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 22 december 2023 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1.
Mr. Bartels heeft bij brief van 4 januari 2024 verzet ingesteld. Daarna heeft hij de rechtbank op 12 en 18 januari, 28 maart en 18 april 2024 nog brieven gestuurd. In deze brieven heeft hij geen verzetgronden aangevoerd. Ter zitting heeft mr. Bartels als verztegrond aangevoerd dat de bij de uitspraak toegekende immateriële schadevergoeding te laag is vastgesteld. Mr. Bartels meent dat hij recht heeft op € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden en niet de toegekende € 50,- per half jaar.
2.2.
Nu mr. Bartels geen gronden heeft aangevoerd tegen het oordeel dat het beroep terecht niet ontvankelijke is verklaard, is dat oordeel onbestreden gebleven. De rechtbank ziet geen aanleiding op dit punt anders te oordelen dan in de uitspraak van 22 december 2023. Nu in de uitspraak op bezwaar is geoordeeld dat het door mr. Bartels ingediende bezwaar niet ontvankelijk is omdat in bezwaar geen machtiging is overgelegd van de bevoegde bestuurders én geen uittreksel uit het handelsregister is overgelegd, is het materiële geschil in ieder geval bij de uitspraak op bezwaar ten einde gekomen. Nu op het bezwaar is beslist binnen één jaar na het indienen ervan, is er geen aanleiding is om een immateriële schadevergoeding toe te kennen.
2.3.
Daarnaast is het maar de vraag of, áls er in de periode dat het beroep werd behandeld al sprake is geweest van spanning en frustratie, in hoeverre dat zo was bij belanghebbende. Gelet op het feit dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, dat tegen dát oordeel schriftelijk geen verzetgronden zijn aangevoerd én op wat tijdens zitting is aangevoerd, is het niet aannemelijk dat belanghebbende nog spanning en frustratie had over de WOZ-beschikking en de daarmee samenhangende OZB-aanslag en rioolheffing.
2.4.
De rechtbank ziet er echter van af om het verzet op dit punt wel gegrond te verklaren en te bepalen dat er geen immateriële schadevergoeding wordt toegekend. Dan zou betrokkene door het instellen van het rechtsmiddel in een slechtere positie komen, dan wanneer dat middel niet was ingesteld. [2] De rechtbank zal om die reden de uitspraak van 22 december 2023 niet herzien. Het verzet is ongegrond.
2.5.
De rechtbank wijst, onder dezelfde motivering als genoemd in overweging 2.3 en 2.4, het verzoek om immateriële schadevergoeding dat ziet op de verzetprocedure af. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet ongegrond;
  • wijst het verzoek om (aanvullende) immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 25 april 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:69 van Pro de Awb. In de Memorie van Toelichting met betrekking tot dit artikel is vermeld dat het instellen van beroep er niet toe mag leiden dat de indiener van het beroepschrift in een slechtere positie komt.