ECLI:NL:RBZWB:2025:2506

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 april 2025
Publicatiedatum
25 april 2025
Zaaknummer
11163835 CV EXPL 24-2139 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van Dam
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid eiseres tot buitengerechtelijke ontbinding aannemingsovereenkomst en toewijzing vergoeding

Eiseres sloot een aannemingsovereenkomst met gedaagde voor de bouw van een aanbouw. Na gebrekkige uitvoering en het uitblijven van herstel ondanks ingebrekestelling, ontbond eiseres de overeenkomst buitengerechtelijk. Een deskundige stelde de waarde van het uitgevoerde werk vast en berekende herstelkosten.

De kantonrechter oordeelde dat gedaagde tekortgeschoten is in de nakoming en in verzuim verkeert. De ontbinding was rechtsgeldig en eiseres mocht vergoeding vorderen. De vergoeding werd vastgesteld door het totaal betaalde bedrag te verminderen met de waarde van het uitgevoerde werk, waarbij de deskundige de herstelkosten nauwkeurig had bepaald.

Daarnaast werden de kosten van de deskundige, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toegewezen. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van €16.948,11 plus rente, incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €16.948,11 plus rente, deskundigenkosten, incassokosten en proceskosten wegens gebrekkige uitvoering en rechtsgeldige buitengerechtelijke ontbinding.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11163835 CV EXPL 24-2139
Vonnis van 23 april 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R.M. Poublon,
tegen
[gedaagde] ,
mede h.o.d.n.
‘ [bedrijf 1] ’ en ‘ [bedrijf 2] ’,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.J. Blaak-Looij.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 september 2024;
- de akte aanvullende producties van [eiser] ;
- de akte wijziging/aanvulling grondslag eis;
- de aantekeningen van de griffier van de op 27 januari 2025 gehouden mondelinge behandeling, inclusief de door mr. Blaak overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Omstreeks 10 november 2022 heeft [gedaagde] een (ongedateerde) offerte van
€ 22.169,53 (incl. btw) aan [eiser] uitgebracht voor de bouw van een aanbouw aan haar woning. [eiser] is akkoord gegaan met deze offerte.
2.2.
[eiser] heeft een aanbetaling gedaan van € 15.000,00.
2.3.
In maart 2023 is [gedaagde] gestart met de werkzaamheden.
2.4.
Omstreeks 20 mei 2023 heeft [eiser] € 4.750,00 contant aan [gedaagde] betaald. [naam] heeft [eiser] op 8 juni 2023 € 1.028,50 en op 11 juni 2023 € 624,66 aan [gedaagde] overgemaakt.
2.5.
Op 25 en 26 augustus 2023 heeft [eiser] een totaalbedrag van € 3.000,00 aan [gedaagde] betaald.
2.6.
Op 26 november 2023 heeft [eiser] [gedaagde] een brief gestuurd. In deze brief geeft [eiser] een opsomming van haar klachten over en gebreken aan de aanbouw. [eiser] heeft [gedaagde] verzocht de aanbouw binnen twee weken af te maken of [eiser] een deel van het betaalde bedrag terug te betalen.
2.7.
[gedaagde] heeft niet gereageerd op deze brief.
2.8.
Op 17 januari 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden. [gedaagde] is meegedeeld dat een deskundige zal worden ingeschakeld om de aanbouw te laten beoordelen.
2.9.
Het onderzoek van de deskundige heeft plaatsgevonden op 8 februari 2024. [gedaagde] is uitgenodigd om hierbij aanwezig te zijn, maar hij is niet verschenen.
2.10.
Het deskundigenrapport van TOP Expertise (hierna te noemen: TOP) is op
15 februari 2024 opgesteld.
2.11.
De gemachtigde van [eiser] heeft op 23 februari 2024 [gedaagde] gesommeerd over te gaan tot betaling van een bedrag van € 17.968,11 en heeft ook aan [gedaagde] verzocht de kosten van de deskundige van € 2.268,75 te vergoeden.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert (na wijziging van eis) dat [gedaagde] (primair en subsidiair) een bedrag van € 17.968,11, vermeerderd met wettelijke rente en daarnaast expertisekosten van € 2.268,75 aan haar betaalt. Meer subsidiair vordert zij betaling van een bedrag van € 12.201,58, vermeerderd met wettelijke rente.
Bovendien vordert [eiser] dat [gedaagde] buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten (vermeerderd met wettelijke rente) aan haar betaalt. Tot slot wil [eiser] de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad).
3.2.
[eiser] legt primair aan haar vordering ten grondslag dat zij de overeenkomst op 17 januari 2024 buitengerechtelijk heeft ontbonden. Voor zover niet zou zijn voldaan aan de vereisten voor een buitengerechtelijke ontbinding dan heeft [eiser] de overeenkomst bij akte van 27 januari 2025 (buitengerechtelijk) vernietigd. Verder is de overeenkomst tot stand gekomen als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk. Meer subsidiair stelt [eiser] dat aan [gedaagde] een sanctie moet worden opgelegd omdat hij zijn essentiële informatieplichten niet is nagekomen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Ter beantwoording ligt de vraag voor of [eiser] op 17 januari 2024 de overeenkomst met [gedaagde] buitengerechtelijk mocht ontbinden. Volgens [eiser] is het overeengekomen werk niet (deugdelijk) door [gedaagde] uitgevoerd. Per brief van 26 november 2023 heeft [eiser] [gedaagde] in gebreke gesteld en hem verzocht de werkzaamheden alsnog binnen een redelijke termijn deugdelijk af te maken en op te leveren of [eiser] aan de hand van de staat en de stand van het werk een geldbedrag terug te betalen. Omdat een reactie op deze ingebrekestelling uitbleef, meent [eiser] dat [gedaagde] in verzuim is komen te verkeren zodat zij de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst rechtsgeldig heeft ingeroepen.
4.2.
[gedaagde] betwist dat hij in verzuim is. Hij voert aan dat hij het werk niet mocht afmaken en dat hem de toegang tot het werk is ontzegd. Uit de ingebrekestelling - die naar de mening van [gedaagde] veel te uitgebreid was - heeft [gedaagde] de conclusie getrokken dat hij niet meer welkom was om het werk af te maken.
[gedaagde] is tekortgeschoten
4.3.
De kantonrechter stelt vast dat het werk deels niet en deels gebrekkig is uitgevoerd. Dat volgt uit het deskundigenrapport van TOP. Vast staat dat [gedaagde] is uitgenodigd om bij de door TOP uitgevoerde expertise aanwezig te zijn, maar dat hij niet op deze uitnodiging is ingegaan. Omdat [gedaagde] vervolgens ook geen (tegen)rapport in het geding heeft gebracht en ook anderszins onvoldoende de bevindingen van TOP heeft weersproken, gaat de kantonrechter van de conclusie van TOP uit. De conclusie is dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de aanneemovereenkomst.
[gedaagde] is in verzuim
4.4.
[gedaagde] is in verzuim geraakt en de kantonrechter licht dat als volgt toe. Verzuim treedt in wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld via een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn wordt gesteld om alsnog na te komen en nakoming binnen die termijn vervolgens uitblijft. Aan deze voorwaarde heeft [eiser] per brief van 26 november 2023 voldaan. In de brief wordt onomwonden een termijn gesteld
- die bovendien redelijk is - om de aanbouw alsnog deugdelijk te realiseren. [gedaagde] reageert daar in het geheel niet op. Uit het feit dat in deze brief veel informatie stond en [gedaagde] nog in gesprek was over de aanbouw met de partner van [eiser] volgt niet dat de ingebrekestelling daarmee niet deugdelijk zou zijn.
Voor zover [gedaagde] een beroep doet op schuldeisersverzuim omdat hem door [eiser] de toegang tot het werk is ontzegd waardoor hij de aanbouw niet kon afmaken, slaagt dit verweer niet. Uit zowel de brief van 26 november 2023 als de whatsappberichten die [eiser] aan [gedaagde] heeft gestuurd, blijkt niet dat hem de toegang tot het werk is ontzegd. Integendeel; [eiser] heeft [gedaagde] juist verzocht het werk alsnog af te komen maken. Het feit dat [gedaagde] niet meer heeft gereageerd op deze berichten en uit de berichten kennelijk de conclusie heeft getrokken dat hij niet meer welkom was om het werk af te maken, komt voor zijn risico.
Conclusie: [eiser] mocht de overeenkomst ontbinden
4.5.
Dit leidt ertoe dat [eiser] op 17 januari 2024 bevoegd was de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. De ontbinding van de overeenkomst door [eiser] heeft het volgende tot gevolg. Aangezien de werkzaamheden van [gedaagde] niet ongedaan gemaakt kunnen worden, treedt daarvoor in de plaats een waardevergoeding. Als de werkzaamheden niet aan de overeenkomst beantwoorden, dan wordt deze vergoeding beperkt tot de waarde die de werkzaamheden voor [eiser] werkelijk hebben.
[gedaagde] moet een vergoeding betalen
4.6.
Om te bepalen of [gedaagde] aan [eiser] moet betalen, moet eerst worden vastgesteld wat [eiser] aan [gedaagde] heeft betaald. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] in elk geval een bedrag van € 22.750,00 aan [gedaagde] heeft betaald. [gedaagde] voert aan dat de betalingen van 8 juni 2023 en 11 juni 2023 van respectievelijk € 1.028,50 en € 624,66 door [eiser] zijn gedaan om beton te kopen. De aanschaf van dit beton was niet in de offerte opgenomen. [eiser] zou zelf beton kopen, maar later heeft [gedaagde] dit alsnog voor [eiser] gedaan. [gedaagde] heeft niet gesteld en ook is niet gebleken dat het beton niet voor de aanbouw zou zijn aangekocht. Het beton maakt dus onderdeel uit van de opdracht en de kantonrechter gaat ervan uit dat het beton inmiddels is verwerkt in de aanbouw. Dit leidt ertoe dat [eiser] in totaal € 24.403,16 voor de aanbouw heeft betaald.
4.7.
TOP heeft de waarde van het werk bepaald op € 6.435,05. Dit heeft zij als volgt bepaald. TOP heeft de geschatte waarde van de omvang van het werk vastgesteld op € 14.285,05. Van dit bedrag is vervolgens € 7.850,00 aan herstelkosten afgetrokken. [eiser] maakt volgens deze berekening dan ook aanspraak op terugbetaling van een bedrag van € 17.968,11 (€ 24.403,16 minus € 6.435,05).
[gedaagde] voert aan dat de waarde van de omvang van het werk te laag door TOP is ingeschat en dat TOP uitgaat van een te hoog bedrag aan herstelkosten. Omdat de uitgangspunten van TOP onvoldoende door [gedaagde] worden betwist, komt de kantonrechter op dit punt niet toe aan nadere bewijsvoering. De kantonrechter zal dan ook de bedragen die TOP heeft genoemd als uitgangspunt nemen.
4.8.
Het verweer van [gedaagde] dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om het werk af te maken en zodoende niet schadeplichtig is, slaagt niet. Uit rechtsoverweging 4.4. blijkt dat [gedaagde] juist is verzocht om het werk alsnog af te maken, maar dat [gedaagde] de keuze heeft gemaakt om dit niet te doen.
4.9.
[gedaagde] wordt evenmin gevolgd in zijn standpunt dat [eiser] niet schadebeperkend heeft opgetreden. Ter zitting heeft [eiser] meegedeeld dat zij in het kader van haar schadebeperkingsplicht met geleend geld het dak van de aanbouw dicht heeft laten maken. Van [eiser] kan niet worden gevergd dat zij (nog meer) geld leent om de schade te beperken die ontstaat omdat [gedaagde] het werk niet af kwam maken.
4.10.
Hierna worden de schadeposten afzonderlijk besproken en beoordeeld.
Buitengevel
4.11.
Tussen partijen staat vast dat oorspronkelijk voor de buitengevel metselwerk is overeengekomen. Omdat [gedaagde] geen metselaars kon vinden, heeft [eiser] gezegd dat de buitengevel ook afgewerkt mocht worden met rabatdelen. Uit de door TOP overgelegde foto’s blijkt dat de aanbouw niet is opgemetseld en dat er ook geen rabatdelen rondom de aanbouw zijn aangebracht. Door het ontbreken van een deugdelijke gevelbekleding zijn de gevelisolatieplaten langdurig onbeschermd gebleven en door het regenwater aangetast. [gedaagde] is hiervoor aansprakelijk. Het gevorderde bedrag van € 1.950,00 aan herstelkosten voor het vervangen van de gevelisolatieplaten is toewijsbaar.
4.12.
TOP heeft verder vastgesteld dat de funderingsbalk aan de achterzijde van de aanbouw scheef is aangebracht, waardoor het metselwerk niet volledig op de fundering kan worden aangebracht. Om dit te herstellen moet een stalen hoeklijn tegen de buitenzijde van de
fundering worden aangebracht ter ondersteuning van het metselwerk. Ter zitting is vast komen te staan dat [eiser] mondeling akkoord heeft gegeven op het aanbrengen van rabatdelen als gevelbekleding in plaats van metselwerk. Het niet aanbrengen van deze hoekstaal wordt dan ook niet gezien als een gebrek. De herstelkosten van € 520,00 zijn niet toewijsbaar.
Dak
4.13.
TOP heeft vastgesteld dat de dakpannen niet conform de norm en richtlijn zijn aangebracht omdat de dakpannen niet zijn voorzien van panhaken. De dakpannen moeten om die reden worden verwijderd, worden opgeslagen en opnieuw worden gelegd. Daarnaast zijn slechts op een gedeelte van het dak dakpannen aangebracht. De gevelpannen op de eindgevel ontbreken en de pannen tegen de bestaande woning, waar de kilgoot moet komen, zijn niet op het dak gelegd. Vanwege het ontbreken van deze dakpannen zijn de dakisolatieplaten door regenwaterintreding verloren gegaan. Deze isolatieplaten moeten worden verwijderd en worden vervangen.
[gedaagde] voert aan dat de dakpannen wel zijn voorzien van panhaken en volgens de norm en richtlijn op het dak liggen. [gedaagde] heeft dit standpunt niet nader onderbouwd zodat de conclusies van TOP onvoldoende door [gedaagde] zijn weersproken en die conclusies dan ook worden gevolgd.
Het toewijsbare bedrag aan herstelkosten bedraagt:
- verwijderen dakpannen en opslaan € 660,00
- dakpannen incl. panhaken terugplaatsen € 1.130,00
- dakisolatieplaten vervangen
€ 2.250,00
Totaal € 4.040,00
4.14.
De herstelkosten van € 500,00 voor het vervangen van het dakbeschot worden afgewezen. TOP concludeert dat zij onvoldoende kan beoordelen of het dakbeschot door het intredende regenwater is aangetast. Hierdoor is onvoldoende vast komen te staan dat er schade is aan het dakbeschot en als er al sprake zou zijn van schade wat de herstelkosten dan zouden bedragen.
Muurplaten
4.15.
[gedaagde] erkent dat er nog een muurplaat moet worden vastgezet zodat daarmee vast komt te staan dat de muurplaten mechanisch bevestigd dienen te worden aan de kalksteenwanden. [gedaagde] heeft de hoogte van de herstelkosten van € 190,00 niet betwist. Dit bedrag is dan ook toewijsbaar.
Vloerbalken
4.16.
[gedaagde] voert aan dat dit geen gebrek is maar werk dat nog moest worden afgemaakt door het plaatsen van een houten draagconstructie. De deskundige van TOP heeft geconcludeerd dat de vloerbalken niet worden ondersteund en vrij liggen van de metalen schoenen. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien dat het plaatsen van een houten draagconstructie de vloerbalken voldoende ondersteuning zouden bieden. Dit betekent dat het gevorderde bedrag aan herstelkosten voor het deugdelijk aanbrengen van de vloerbalken in de metalen schoenen van € 460,00 toewijsbaar is.
Kozijnen
4.17.
[gedaagde] betwist niet dat de kozijnen nog hersteld moeten worden. Het gevorderde bedrag aan herstelkosten van € 190,00 is toewijsbaar.
Conclusie te betalen vergoeding
4.18.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, bedragen de herstelkosten:
- Gevelisolatieplaten vervangen € 1.950,00
- Dakpannen verwijderen en opslaan € 660,00
- Isolatieplaten dak vervangen € 2.250,00
- Dakpannen incl. panhaken terugplaatsen € 1.130,00
- Muurplaten mechanisch bevestigen € 190,00
- Vloerbalken in metalen schoenen plaatsen € 460,00
- Kozijnen repareren en afwerken
€ 190,00
Totaal € 6.830,00
De waarde van het werk wordt daarmee bepaald op € 7.455,05 (€ 14.285,05 minus
€ 6.830,00).
4.19.
Dit betekent dat [gedaagde] € 16.948,11 (€ 24.403,16 minus € 7.455,05) aan [eiser] moet terugbetalen. De gevorderde rente over dit bedrag is toewijsbaar vanaf
11 juni 2024 (de dag der dagvaarding). Niet is vast komen te staan dat [gedaagde] op 23 februari 2024 al in verzuim was.
4.20.
Omdat de primaire vordering wordt toegewezen, komt de kantonrechter niet toe aan de (ambtshalve) toetsing of [gedaagde] zijn wettelijke (pre)contractuele
informatieverplichtingen is nagekomen.
Overige kosten
4.21.
[eiser] maakt verder aanspraak op betaling van de kosten van het rapport van TOP van € 2.268,75. Op grond van artikel 6:96 lid 2 BW Pro komen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking. Vereist is dat de verrichte werkzaamheden noodzakelijk waren en dat de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn. Dat is hier het geval. [eiser] heeft [gedaagde] meermaals verzocht de aanbouw af te maken en op te leveren. [gedaagde] heeft de aanbouw niet afgebouwd en heeft ook geen schadevergoeding betaald. Tegen deze achtergrond valt goed te begrijpen en is het redelijk dat [eiser] op 8 februari 2024 een deskundige onderzoek heeft laten doen naar de staat en de kwaliteit van de uitgevoerde werkzaamheden. De gevorderde kosten van € 2.268,75 zijn toewijsbaar.
4.22.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vergoeding van € 954,68 die [eiser] voor deze kosten vordert, is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief van € 944,48 bij € 16.948,11 in hoofdsom. De kantonrechter wijst daarom € 944,48 toe.
4.23.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
140,84
- griffierecht
706,00
- salaris gemachtigde
1.086,00
(2 punten × € 543,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.067,84
4.24.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 16.948,11, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 11 juni 2024, tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 944,48 aan buitengerechtelijke kosten;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, waarvan € 2.067,84 te betalen aan [eiser] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 2.268,75 aan kosten voor de partijdeskundige;
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2025.