Betrokkene is veroordeeld voor medeplegen van de handel in cocaïne en heroïne in georganiseerd verband. De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, gebaseerd op een rapport dat de opbrengst berekende op €47.376,33. De verdediging betwistte de periode en de berekening, maar leverde onvoldoende onderbouwing.
De rechtbank nam de periode van 1 december 2022 tot 3 juli 2023 als uitgangspunt, exclusief de dag van aanhouding. Uit het rapport bleek een dagomzet van €1.682,-, gebaseerd op afgeluisterde telefoongesprekken en WhatsApp-berichten. Na aftrek van 50% kosten, conform jurisprudentie, werd het netto voordeel geschat op €166.518,-. Dit bedrag werd verdeeld over vier betrokkenen, waaronder betrokkene, wat resulteerde in een aandeel van €41.629,50.
De rechtbank wees het draagkrachtverweer af omdat betrokkene onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet zou kunnen betalen. De ontnemingsvordering werd vastgesteld op €41.629,50, met afwijzing van het meerdere. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.