Betrokkene is veroordeeld voor medeplegen van handel in cocaïne in georganiseerd verband. De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, berekend op basis van een politierapport. De verdediging voerde aan dat de ontnemingsperiode ingekort moest worden en dat kosten en transacties anders moesten worden meegewogen.
De rechtbank baseerde zich op het vonnis in de hoofdzaak en het rapport, waarbij de periode van 1 mei 2022 tot 3 juli 2023 als uitgangspunt werd genomen. De berekening van de dagomzet was gebaseerd op telefoongesprekken en WhatsApp-berichten, met een gemiddelde dagomzet van €2.847. Na aftrek van 50% kosten werd het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op €562.282,50.
De toerekening van het voordeel werd pondspondsgewijs verdeeld over betrokkene, vier medebetrokkenen en een zesde persoon met een bepalende rol. Hierdoor werd het bedrag voor betrokkene vastgesteld op €93.713,75. Het verweer dat betrokkene onvoldoende draagkracht heeft om te betalen werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.
De rechtbank legde betrokkene de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen en wees de rest van de vordering af. De duur van gijzeling bij niet-betaling werd vastgesteld op 1080 dagen.