Betrokkene is veroordeeld voor medeplegen van de handel in cocaïne en heroïne in georganiseerd verband over de periode van 1 juli 2021 tot 3 juli 2023. De officier van justitie vordert ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, berekend op basis van een politie-rapport.
De verdediging betwist de hoogte van het gevorderde bedrag en de toerekening van het voordeel aan betrokkene, gezien diens rol als rijder binnen de organisatie. De rechtbank sluit aan bij de bewijsmiddelen uit het vonnis en het rapport, en past een schattingsmethode toe die door de Hoge Raad is geaccepteerd.
De rechtbank stelt het bruto voordeel vast op ruim €1.137.000,-, verminderd met 50% kosten, resulterend in €568.516,-. Dit bedrag wordt verdeeld over vier betrokkenen, waaronder betrokkene, waardoor het aan betrokkene toe te rekenen voordeel €142.129,- bedraagt.
De rechtbank legt betrokkene de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen en wijst de vordering voor het overige af. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.