ECLI:NL:RBZWB:2025:2530

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 april 2025
Publicatiedatum
28 april 2025
Zaaknummer
11343055 \ CV EXPL 24-3459 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van der Burgt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 88 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding koopovereenkomst en terugbetaling wegens bedrog bij levering stalen rijplaten

De zaak betreft een koopovereenkomst tussen de koper en verkoper 2 voor de levering van 40 stalen rijplaten tegen € 13.310,00. De koper betaalde het bedrag op het rekeningnummer van verkoper 1, maar de rijplaten werden niet geleverd. Verkoper 2 bood de rijplaten opnieuw aan onder een andere naam, wat duidt op bedrog.

De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst tussen koper en verkoper 2 op grond van bedrog vernietigd moet worden. Hierdoor vervalt de rechtsgrond voor de betaling aan verkoper 1, die het bedrag ontving. Verkoper 1 heeft onvoldoende bewijs geleverd van een onrechtmatige daad en er is geen sprake van samenspanning met verkoper 2.

De rechtbank veroordeelt verkoper 1 en verkoper 2 hoofdelijk tot terugbetaling van de hoofdsom plus wettelijke rente en proceskosten aan de koper. De tegenvordering van verkoper 1 tot betaling voor geleverde edelmetaal wordt afgewezen, omdat geen overeenkomst met koper is gesloten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de koopovereenkomst wegens bedrog en veroordeelt verkoper 1 en 2 tot terugbetaling van € 14.056,84 aan koper.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11343055 \ CV EXPL 24-3459
Vonnis van 23 april 2025
in de zaak van
[de koper] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de koper] ,
gemachtigde: mr. N.A. Koole,
tegen

1.[verkoper 1] ,

wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [verkoper 1] ,
procederend in persoon,
2.
[verkoper 2],
briefadres houdende te [plaats 3] ,
gedaagde partij in conventie,
hierna te noemen: [de verkopers] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 november 2024 met de daarin genoemde stukken,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- de aanvullende producties van [verkoper 1] ,
- de mondelinge behandeling van 12 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [verkoper 1] is niet op de mondelinge behandeling verschenen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[verkoper 2] heeft online een advertentie geplaatst, waarin hij stalen rijplaten te koop aanbood.
2.2.
[de koper] heeft naar aanleiding van de advertentie contact opgenomen met [verkoper 2] . Zij zijn op 20 november 2023 overeengekomen dat [verkoper 2] op 22 november 2023 40 stalen rijplaten aan [de koper] zou leveren voor een totaalbedrag van € 13.310,00.
2.3.
[verkoper 2] heeft aan [de koper] een factuur van 20 november 2023 gezonden voor de koopsom. Onderstaan de factuur staat het rekeningnummer van [verkoper 1] .
2.4.
[de koper] heeft op 21 november 2023 het bedrag van € 13.310,00 overgemaakt, welke betaling [verkoper 1] heeft ontvangen. [verkoper 2] heeft ondanks ingebrekestelling geen stalen rijplaten aan [de koper] geleverd.
2.5.
Ondanks sommatie zijn [verkoper 1] en [verkoper 2] niet tot terugbetaling overgegaan.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[de koper] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [verkoper 1] en [verkoper 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 13.310,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van [verkoper 1] en [verkoper 2] in de proceskosten.
3.2.
[de koper] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Zij heeft een koopovereenkomst met [verkoper 2] gesloten voor de levering van stalen rijplaten. [de koper] heeft op 21 november 2023 € 13.310,00 voor de rijplaten betaald op het bankrekeningnummer van [verkoper 1] . Ondanks ingebrekestelling zijn de rijplaten niet geleverd. [verkoper 2] en [verkoper 1] hebben onrechtmatig gehandeld jegens [de koper] . De overeenkomst is onder bedrog tot stand gekomen en daarom vernietigbaar. Er is geen rechtsgrond voor de betaling. Omdat sprake is van onrechtmatige daad, al dan niet in groepsverband, dan wel onverschuldigde betaling, moeten [verkoper 1] en [verkoper 2] het betaalde bedrag van € 13.310,00 aan [de koper] terugbetalen. Omdat zij in verzuim verkeren, maakt [de koper] aanspraak op wettelijke rente.
3.3.
[verkoper 1] voert verweer. Zij betwist [de koper] te hebben opgelicht. Zij vindt dat de betaalde hoofdsom niet hoeft te worden terugbetaald, omdat [verkoper 1] naar aanleiding van de ontvangen betaling aan [verkoper 2] edelmetaal ter waarde van € 13.310,00 heeft geleverd en hij mede-eigenaar van [de koper] is.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[verkoper 1] vordert – samengevat – dat [de koper] wordt veroordeeld tot betaling van € 5.638,00 dan wel teruggave van het conform de tweede overeenkomst geleverde edelmetaal.
3.6.
[verkoper 1] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [verkoper 2] heeft naar aanleiding van een online advertentie, waarin [verkoper 1] edelmetaal te koop aanbood, contact met [verkoper 1] opgenomen. Hij heeft zich voorgedaan als mede-eigenaar van [de koper] . Zij zijn daarbij eerst overeengekomen dat [verkoper 1] voor € 13.310,00 aan edelmetaal zou leveren. Na ontvangst van de betaling op 21 november 2023 van [de koper] zijn [verkoper 1] en [verkoper 2] nader overeengekomen dat [verkoper 1] edelmetaal ter waarde van € 5.638,00 zou leveren. [verkoper 1] heeft op 21 november 2023 het edelmetaal voor beide overeenkomsten geleverd. [verkoper 1] vordert nakoming van de tweede overeenkomst van [de koper] omdat [verkoper 2] mede-eigenaar is, dan wel teruglevering van het edelmetaal van de tweede overeenkomst.
3.7.
[de koper] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [verkoper 1] , met veroordeling van [verkoper 1] in de kosten van deze procedure. [de koper] betwist de vorderingen van [verkoper 1] . [de koper] heeft geen overeenkomst met [verkoper 1] gesloten voor de levering van edelmetaal. [de koper] betwist dat [verkoper 2] mede-eigenaar is van [de koper] . [de koper] betwist edelmetaal geleverd te hebben gekregen.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 12 maart 2025. [verkoper 1] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Op grond van artikel 88 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de kantonrechter uit het niet-verschijnen ter terechtzitting de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. In dit geval verbindt de kantonrechter aan dit niet-verschijnen van [verkoper 1] op de zitting de gevolgtrekking dat de nadere stellingen van [de koper] als onweersproken worden geacht.
in conventie
4.2.
[verkoper 2] is, hoewel behoorlijk gedagvaard met inachtneming van de voorgeschreven termijn en formaliteiten, niet ter zitting verschenen en heeft ook anderszins niet gereageerd of om uitstel verzocht; daarop is tegen [verkoper 2] verstek verleend. Op grond van de wet geldt dit vonnis niettemin als een vonnis op tegenspraak tegen alle gedaagde partijen.
4.3.
[de koper] heeft onweersproken aangevoerd dat sprake is van bedrog. Voldoende is vast komen te staan dat [verkoper 2] [de koper] heeft bewogen om een betaling aan [verkoper 1] te verrichten, terwijl [verkoper 2] blijkbaar nimmer de intentie heeft gehad om de rijplaten te leveren aan [de koper] . De kantonrechter leidt dit onder meer af uit de aangifte van [de koper] bij de politie, waaruit volgt dat [verkoper 2] kennelijk onder een andere naam met een andere advertentie opnieuw rijplaten aanbood. Het bedrog is daarmee vast komen te staan. Daardoor heeft [verkoper 2] onrechtmatig gehandeld jegens [de koper] . Dat maakt dat de vordering van [de koper] jegens [verkoper 2] toewijsbaar is, nu vaststaat dat [de koper] als gevolg van het onrechtmatige handelen van [verkoper 2] schade heeft geleden. De schade bestaat uit de verrichte betaling van € 13.310,00. De kantonrechter zal [verkoper 2] daarom tot betaling van € 13.3100,00 veroordelen.
4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat onvoldoende vast is komen te staan dat sprake is van een onrechtmatige daad van [verkoper 1] , al dan niet in groepsverband. Weliswaar heeft [verkoper 1] de betaling van [de koper] ontvangen, maar uit de door [verkoper 1] overgelegde Whatsapp-correspondentie volgt dat zij aan [verkoper 2] haar rekeningnummer heeft gegeven als gevolg van een overeenkomst die zij met hem heeft gesloten. Het was [verkoper 2] die vervolgens de factuur met daarop het rekeningnummer van [verkoper 1] aan [de koper] heeft gezonden, niet [verkoper 1] . Van samenspanning tussen [verkoper 1] en [verkoper 2] jegens [de koper] is dan ook niet, althans onvoldoende, gebleken.
4.5.
Anders dan door [de koper] betoogt, was op het moment van betaling wél sprake van een rechtsgrond voor die betaling. Immers: er bestond een overeenkomst tussen [de koper] en [verkoper 2] voor de levering van de rijplaten. Dat de betaling geschiedde aan [verkoper 1] , maakt dat niet anders.
4.6.
[de koper] heeft zich subsidiair beroepen op vernietiging van de met [verkoper 2] gesloten overeenkomst en wel op grond van bedrog. Zoals hiervoor al overwogen, staat vast dat sprake is van bedrog. De kantonrechter zal daarom de overeenkomst tussen [de koper] en [verkoper 2] vernietigen.
4.7.
Als gevolg van de vernietiging van de overeenkomst komt thans de rechtsgrond voor de betaling van [de koper] aan [verkoper 1] te vervallen. Daardoor slaagt het subsidiaire beroep van [de koper] op onverschuldigde betaling. Dat houdt in dat [verkoper 1] de ontvangen betaling van € 13.3100,00 aan [de koper] moet terugbetalen. De kantonrechter zal haar daarom daartoe veroordelen. Dat het [verkoper 2] was die [de koper] heeft bedrogen en niet [verkoper 1] , speelt daarbij geen rol.
4.8.
[verkoper 1] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente. Aangezien aan de vereisten van artikel 6:119 BW Pro is voldaan, wordt deze rente toegewezen. [de koper] heeft onweersproken aangevoerd dat de wettelijke rente, berekend tot 15 september 2025 € 746,84 bedraagt.
4.9.
In totaal moeten [verkoper 1] en [verkoper 2] € 14.056,84 (zijnde € 13.310,00 aan hoofdsom en € 746,84 aan wettelijke rente tot 15 september 2024) aan [de koper] betalen.
4.10.
[verkoper 1] en [verkoper 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom ook de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de koper] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
273,44
- griffierecht
1.409,00
- salaris gemachtigde
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.629,44
4.11.
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
in reconventie
4.12.
Uit de door [verkoper 1] overgelegde correspondentie volgt dat zij enkel contact heeft gehad met [verkoper 2] . [verkoper 2] heeft slechts geïmpliceerd mede-eigenaar van [de koper] te zijn. [de koper] heeft dit onweersproken betwist. Niet is gebleken van andere omstandigheden waaruit zou moeten volgen dat [verkoper 1] met [de koper] een of twee overeenkomsten heeft gesloten. Gelet op het voornoemde staat naar oordeel van de kantonrechter daarom vast dat [verkoper 1] twee overeenkomsten met [verkoper 2] heeft gesloten en niet met [de koper] .
4.13.
Dat houdt in dat de vordering van [verkoper 1] zal worden afgewezen. Zij vordert immers nakoming van [de koper] van de met [verkoper 2] gesloten overeenkomst, terwijl [de koper] bij die overeenkomst geen partij is.
4.14.
[verkoper 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [de koper] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
339,00
(1 punt × € 339,00)
Totaal
339,00
in conventie en in reconventie
4.15.
[de koper] heeft verzocht om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De belangen van partijen afwegend zal de kantonrechter het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Als één van partijen hoger beroep instelt tegen dit vonnis, dan schorst het hoger beroep niet de eventuele tenuitvoerlegging van het vonnis.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
vernietigt de tussen [de koper] en [verkoper 2] gesloten overeenkomst,
5.2.
veroordeelt [verkoper 1] en [verkoper 2] hoofdelijk om aan [de koper] te betalen een bedrag van € 14.056,84, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 13.310,00 met ingang van 15 september 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [verkoper 1] en [verkoper 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.629,44, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
5.4.
wijst de vorderingen van [verkoper 1] af,
5.5.
veroordeelt [verkoper 1] in de proceskosten van € 339,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
5.6.
veroordeelt [verkoper 1] en [verkoper 2] tot betaling van de kosten van betekening als [verkoper 1] en [verkoper 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart de hiervoor genoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgt en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2025.