Eiseres, werkzaam in de tuinbouw en sinds 2019 werkloos met een WW-uitkering, vroeg een WIA-uitkering aan die per 21 april 2023 zou ingaan. Het UWV wees de aanvraag af omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was volgens hun medische en arbeidskundige beoordeling. Na bezwaar en aanvullend onderzoek door een arts bezwaar en beroep (arts b&b) en een arbeidsdeskundige b&b bleef de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35%.
Eiseres voerde aan dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was en dat haar beperkingen onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen medisch objectief waren vastgesteld. De subjectieve klachten van eiseres konden niet doorslaggevend zijn. Wel was er sprake van een motiveringsgebrek omdat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) pas in beroep werd aangepast.
De arbeidsdeskundige b&b stelde dat de geselecteerde functies passend waren en de mate van arbeidsongeschiktheid correct was vastgesteld op 26,72%. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond vanwege het motiveringsgebrek, vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat de uitkering terecht was geweigerd. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.