ECLI:NL:RBZWB:2025:2607

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 april 2025
Publicatiedatum
30 april 2025
Zaaknummer
11199877 \ CV EXPL 24-2347
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van Dam
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BWArtikel 2 Btag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van achterstallige en toekomstige VVE-bijdragen door appartementseigenaar

De Vereniging van Eigenaars (VVE) van een hotelcomplex vordert betaling van achterstallige maandelijkse bijdragen en toekomstige voorschotbijdragen van de appartementseigenaar. De eigenaar erkent de betalingsachterstand en financiële problemen, waaronder beslag op verhuuropbrengsten.

De rechtbank oordeelt dat financiële problemen de betalingsverplichting niet opheffen. Verrekening met verhuuropbrengsten is niet mogelijk vanwege beslag en bepalingen in de splitsingsakte. De achterstallige bijdragen tot juni 2024 en de wettelijke rente worden toegewezen.

De vordering voor toekomstige bijdragen wordt toegewezen tot het einde van het lopende boekjaar ten tijde van de dagvaarding, met wettelijke rente. Kosten voor kadastrale recherche worden afgewezen, buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. De eigenaar wordt hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De appartementseigenaar wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige en toekomstige VVE-bijdragen, incassokosten en proceskosten, met uitvoerbaarheid bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11199877 \ CV EXPL 24-2347
Vonnis van 2 april 2025
in de zaak van
de vereniging
(ONDER)VERENIGING VAN EIGENAARS VAN HOTELAPPARTEMENTEN EN HOTELSTUDIO'S [hotelcomplex] , AAN DE [adres]
statutair gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de VVE,
gemachtigde: BoitenLuhrs incasso gerechtsdeurwaarders
tegen

1.[gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] ,

beiden wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde] c.s.,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 juni 2024 met producties 1 tot en met 3
- de conclusie van antwoord met productie
- de conclusie van repliek met producties 4 en 5
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De VVE is de vereniging van eigenaars van het [hotelcomplex] in [adres] . Het hotelcomplex bestaat uit hotelstudio’s en -appartementen.
2.2.
[gedaagde] c.s. is eigenaar van twee appartementsrechten, rechtgevend op het uitsluitend gebruik van twee appartementen met verdere aanhorigheden, te weten: [appartement 1] en [appartement 2] , kadastraal aangeduid als [kadastrale aanduiding 1] en [kadastrale aanduiding 2] . Hiermee is [gedaagde] c.s. tevens lid van de VVE.
2.3.
[gedaagde] c.s. is op grond van zijn lidmaatschap van de VVE verplicht tot het betalen van een maandelijkse bijdrage, bestaande uit de door de vergadering van de VVE vastgestelde periodieke bijdragen (te vermeerderen met btw) en een bijdrage vervangingsfonds (te vermeerderen met btw). De maandelijkse voorschotbijdrage bedroeg tot en met december 2023 € 317,60 per maand. Vanaf januari 2024 bedraagt de maandelijkse voorschotbijdrage € 327,87 per maand. De VVE-bijdragen vervallen steeds per de eerste van de maand. [gedaagde] c.s. heeft sinds september 2023 de maandelijkse voorschotbijdrage niet betaald. De totale achterstand bedraagt tot en met juni 2024 € 3.237,62.

3.Het geschil

3.1.
De VVE vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] c.s. hoofdelijk te veroordelen:
1. tot betaling aan de VVE van € 3.771,73, te vermeerderen met de wettelijke rente over
€ 3.237,62 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening,
2. tot betaling aan de VVE van een bedrag van € 327,87 per maand vanaf 1 juli 2024, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag telkens vanaf de eerste dag van de maand van elke periode tot aan de voldoening, gedurende de periode dat [gedaagde] c.s. als eigenaar van de appartementen kan worden aangemerkt, een en ander voor zover deze vordering, samen met het onder 1 genoemde bedrag een bedrag van € 25.000,00 niet te boven gaat, en met de bepaling dat voornoemd bedrag van € 327,87 zal worden aangepast naar de jaarlijkse verlagingen of verhogingen conform rechtsgeldig door de vergadering van eigenaars genomen besluiten,
3. met veroordeling van [gedaagde] c.s. in de proceskosten.
3.2.
De VVE legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] c.s. de verplichting heeft tot betaling van zijn lidmaatschap van de VVE. [gedaagde] c.s. betaalt echter niet.
3.3.
[gedaagde] c.s. voert verweer. Hij erkent dat hij de VVE-bijdragen is verschuldigd en ook dat hij deze niet heeft betaald. Hij verkeert echter in financiële problemen waardoor hij niet in staat is deze bijdragen te voldoen. Er is onder meer door een derde partij beslag gelegd op de verhuuropbrengsten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Achterstand VVE-bijdrage en wettelijke rente
4.1.
[gedaagde] c.s. heeft niet betwist dat zij sinds september 2023 geen maandelijkse voorschotbijdrage meer betaalt. Zij betaalt de maandelijkse voorschotbijdrage niet meer als gevolg van financiële problemen. Alhoewel deze financiële omstandigheden erg vervelend zijn voor [gedaagde] c.s., ontslaat dit hem niet van zijn verplichtingen om de maandelijkse voorschotbijdrage van de VVE te voldoen.
4.2.
Voor zover [gedaagde] c.s. nog verzoekt om de maandelijkse voorschotbijdrage te verrekenen met de opbrengsten uit de verhuur, gaat de kantonrechter aan dat verzoek voorbij. De VVE heeft bij repliek gemotiveerd betwist dat deze mogelijkheid bestaat. Uit de eigen stellingen van [gedaagde] c.s. volgt dat er beslag ligt op de verhuuropbrengsten. [gedaagde] c.s. heeft daarom geen vordering op de VVE ter zake deze opbrengsten, aldus de VVE. Bovendien is verrekening volgens de VVE niet mogelijk op grond van het bepaalde in de splitsingsakte, waarbij de appartementsrechten zijn gevestigd. Deze stellingen zijn door [gedaagde] c.s. niet weersproken. Bovendien blijkt de juistheid van de stellingen van de VVE uit de overgelegde stukken.
4.3.
[gedaagde] c.s. moet de maandelijkse bijdrage aan de VVE dus betalen. Tot en met juni 2024 is dat € 3.237,62. De (onbetwiste) gevorderde wettelijke rente moet [gedaagde] c.s. ook betalen. Deze vordering van de VVE zal dus worden toegewezen.
Toekomstige vorderingen
4.4.
De VVE heeft ook gevorderd dat [gedaagde] c.s. wordt veroordeeld tot betaling van de nog te vervallen voorschotbijdragen (de toekomstige termijnen), vanaf juli 2024. Vast staat dat [gedaagde] c.s. een aanzienlijke periode in gebreke is gebleken met de betaling van de voorschotbijdrage. Gelet hierop en op de stellingen die [gedaagde] c.s. in deze procedure naar voren heeft gebracht, is het niet waarschijnlijk dat zij uit eigen beweging zal overgaan tot de betaling van de (toekomstige) voorschotbijdrage. Deze vordering is ten aanzien van de voorschotbijdrage van € 327,87 per maand toewijsbaar tot het einde van het lopende boekjaar ten tijde van de dagvaarding, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag telkens vanaf de eerste dag van de betreffende maand tot aan de dag der voldoening. Voor het overige wordt de vordering afgewezen, omdat de hoogte van de voorschotbijdrage nadien en van andere toekomstige vorderingen nog niet vast staat.
Kosten kadastrale recherche
4.5.
Alleen kosten die noodzakelijkerwijs en voor een goede ambtsverrichting moeten worden gemaakt, komen voor vergoeding in aanmerking (artikel 2 Btag Pro). De kosten voor kadastrale recherche vallen daar niet onder. Die kosten worden geacht te zijn begrepen in de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. Dit onderdeel van de vordering wordt afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.6.
De VVE vordert daarnaast vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] c.s. heeft deze kosten niet (afzonderlijk) betwist. Omdat de VVE aan [gedaagde] c.s. een aanmaning heeft gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro en de gevorderde vergoeding niet hoger is dan het tarief dat in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is bepaald, zal het bedrag van € 463,66 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
4.7.
[gedaagde] c.s. is - grotendeels - in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de VVE worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
138,81
- griffierecht
496,00
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.229,81
4.8.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere gedaagde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] c.s. hoofdelijk om aan de VVE te betalen een bedrag van € 3.302,02 (bestaande uit € 3.237,62 aan hoofdsom en € 64,40 aan wettelijke rente tot 27 juni 2024), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het bedrag van € 3.237,62, met ingang van 27 juni 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] c.s. hoofdelijk tot betaling aan de VVE van € 463,66 inclusief btw voor buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] c.s. hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 327,87 per maand vanaf 1 juli 2024 aan maandelijkse voorschotbijdrage, tot het einde van het lopende boekjaar ten tijde van de dagvaarding, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag telkens vanaf de eerste dag van de betreffende maand tot aan de dag der voldoening, gedurende de periode dat [gedaagde] c.s. als eigenaar van de appartementsrechten, kadastraal aangeduid als [kadastrale aanduiding 1] en [kadastrale aanduiding 2] kan worden aangemerkt.
5.4.
veroordeelt [gedaagde] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 1.229,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2025.