ECLI:NL:RBZWB:2025:2611

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2025
Publicatiedatum
30 april 2025
Zaaknummer
11209106 \ CV EXPL 24-2389
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van Dam
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BWArt. 3:307 lid 1 BWArtikel 6 van de toepasselijke algemene voorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling premie bromfietsverzekering en afwijzing incassokosten wegens niet ontvangen aanmaning

Gedaagde sloot op 28 juli 2020 een bromfietsverzekering af bij Unigarant, die automatisch jaarlijks werd verlengd. Na betaling van de eerste premie weigerde gedaagde de premie voor de verlengingsperiode te voldoen, stellende dat de bromfiets niet meer in zijn bezit was en dat de curator van zijn voormalig werkgever de verzekering zou opzeggen.

Unigarant stelde dat gedaagde persoonlijk verantwoordelijk was voor de verzekering en de premiebetaling, en dat herinneringen en aanmaningen naar het oude adres waren gestuurd, waarvoor gedaagde zelf aansprakelijk is wegens niet doorgeven van adreswijziging. De rechtbank oordeelde dat de curator geen partij was en dat gedaagde zelf verantwoordelijk was voor opzegging.

De rechtbank wees de vordering tot betaling van de premie toe, maar wees de buitengerechtelijke incassokosten af omdat Unigarant niet kon aantonen dat de aanmaning van 24 februari 2022 aan gedaagde was ontvangen. De wettelijke rente werd toegewezen vanaf de dag van dagvaarding. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de premie en wettelijke rente, incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11209106 \ CV EXPL 24-2389
Vonnis van 16 april 2025
in de zaak van
de naamloze vennootschap
UNIGARANT N.V., MEDE H.O.D.N. ANWB VERZEKEREN,
te 's-Gravenhage,
eisende partij,
hierna te noemen: Unigarant,
gemachtigde: KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 juni 2024 met producties 1 tot en met 6;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek met een productie;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft op 28 juli 2020 (digitaal) een “ANWB bromfietsverzekering” aangevraagd bij Unigarant. [gedaagde] heeft vervolgens een “Polisblad ANWB Bromfietsverzekering” ontvangen, waarmee de (verzekerings)overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen (hierna: de bromfietsverzekering).
2.2.
[gedaagde] heeft de premie voor de bromfietsverzekering over de periode 28 juli 2020 tot 28 juli 2021 betaald.
2.3.
Op 28 juni 2021 heeft Unigarant een nieuw polisblad en een factuur van € 114,75 naar [gedaagde] gestuurd. Hierbij is aangegeven dat de bromfietsverzekering per 28 juli 2021 met een jaar wordt verlengd tot en met 27 juli 2022. [gedaagde] heeft de factuur onbetaald gelaten.
2.4.
Unigarant heeft op 28 juli 2021 en op 11 augustus 2021 een herinnering naar [gedaagde] gestuurd en op 1 september 2021 is er een aanmaning naar [gedaagde] gestuurd. Deze herinneringen en aanmaning zijn naar het voormalig woonadres van [gedaagde] gestuurd.
2.5.
Unigarant heeft vervolgens haar vordering uit handen gegeven aan KVN gerechtsdeurwaarders & juristen (hierna te noemen: ‘KVN’). KVN heeft [gedaagde] op 24 februari 2022 een aanmaning gestuurd. Deze aanmaning is naar het huidige woonadres van [gedaagde] gestuurd.

3.Het geschil

3.1.
Unigarant vordert - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 163,15 (bestaande uit € 114,75 aan hoofdsom en € 48,40 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw) te vermeerderen met de wettelijke rente over € 114,75 vanaf de vervaldag van de ingebrekestelling tot de dag van volledige betaling. Verder vordert Unigarant veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Unigarant legt aan haar vordering ten grondslag dat op 28 juli 2020 tussen haar en [gedaagde] een bromfietsverzekering tot stand is gekomen voor de duur van één jaar. [gedaagde] heeft de verzekering niet opgezegd, de verzekering is per 28 juli 2021 dan ook met een jaar verlengd. Voor zover [gedaagde] zich erop beroept dat de bromfiets waarvoor de verzekering is afgesloten eigendom was van zijn werkgever en de curator van zijn werkgever de verzekering zou opzeggen, geldt dat hij de verzekering in privé is aangegaan en hij daarom zelf verantwoordelijk blijft voor een deugdelijke opzegging. Ook de omstandigheid dat de herinneringen en aanmaningen hem niet hebben bereikt omdat deze naar zijn voormalig woonadres dan wel oude e-mailadres zijn gestuurd, komt voor rekening van [gedaagde] . Hij is immers op grond van artikel 6 van Pro de toepasselijke algemene voorwaarden verantwoordelijk voor het doorgeven van wijzigingen in zijn contactgegevens. [gedaagde] is daarom gehouden de verschuldigde premie van € 114,75 over de periode 28 juli 2021 tot 28 juli 2022 te betalen, alsmede de bijkomende kosten, aldus Unigarant.
3.3.
[gedaagde] voert verweer, inhoudende dat hij de scooter niet meer in zijn bezit had in de periode waarop de factuur ziet. [gedaagde] stelt dat hij de scooter in februari 2021 heeft overhandigd aan de curator van zijn voormalig werkgever. De curator zou hebben aangegeven dat hij alles zou opzeggen, waardoor [gedaagde] er vanuit is gegaan dat dit ook zijn verzekering betrof. Hiernaast voert [gedaagde] aan dat hij de verstuurde brieven vanuit Unigarant nooit heeft ontvangen, omdat hij op 8 maart 2021 is verhuisd. Daarnaast had hij geen toegang meer tot het door hem opgegeven e-mailadres, omdat dit een zakelijk e-mailadres van zijn voormalig werkgever was. Tot slot is [gedaagde] van mening dat het onredelijk is dat Unigarant na haar laatste aanmaning meer dan twee jaar heeft gewacht met het instellen van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] een bromfietsverzekering bij Unigarant heeft afgesloten. [gedaagde] heeft ook niet betwist dat is overeengekomen dat de bromfietsverzekering steeds (automatisch) met een jaar zou worden verlengd. In beginsel is hij dus gehouden de premie te voldoen.
4.2.
[gedaagde] voert aan dat de bromfiets het eigendom was van zijn voormalig werkgever en dat de curator bij het faillissement van zijn voormalig werkgever heeft aangegeven dat hij de verzekering zou opzeggen en hij daarop mocht vertrouwen. Dat verweer slaagt niet. Dat de curator zou hebben toegezegd de verzekering op te zeggen, kan niet aan Unigarant worden tegengeworpen. De curator noch de voormalig werkgever van [gedaagde] is partij bij deze bromfietsverzekering. Niet is gesteld of gebleken dat Unigarant op de hoogte was of had moeten zijn dat de bromfiets het eigendom was van de voormalig werkgever van [gedaagde] . Bovendien is [gedaagde] de verzekering op persoonlijke titel aangegaan en is hij– zoals Unigarant terecht aanvoert – als contractant zelf verantwoordelijk voor een deugdelijke opzegging.
4.3.
[gedaagde] voert aan dat hij geen post van Unigarant heeft ontvangen. De post is immers naar zijn oude adres gestuurd. Dit zorgt er echter niet voor dat hij de premie niet hoeft te betalen, omdat partijen met elkaar hebben afgesproken dat de verzekering automatisch wordt verlengd. Een brief of mail aan [gedaagde] waaruit de verlenging volgt, is dus niet nodig.
4.4.
Hiernaast voert [gedaagde] nog aan dat Unigarant na het verzenden van de laatste aanmaning op 24 februari 2022 onnodig lang (meer dan twee jaar) heeft gewacht met dagvaarden en dat dit onredelijk is. Voor zover [gedaagde] daarmee beoogt een beroep te doen op verjaring, geldt dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen, zoals in dit geding aan de orde is, verjaart door verloop van vijf jaren na de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden (artikel 3:307 lid 1 BW Pro). In dit kader is niet relevant of [gedaagde] de aanmaning van 24 februari 2022 heeft ontvangen. Er zijn namelijk nog geen vijf jaren verstreken tussen de verlenging van de verzekering en het betekenen van de dagvaarding. De vordering is dus niet verjaard. Voor zover [gedaagde] in dit kader een beroep doet op de redelijkheid en billijkheid geldt dat hij hieraan geen nadere onderbouwing heeft gegeven, zodat de kantonrechter daaraan voorbij gaat. De enkele omstandigheid dat Unigarant ruim twee jaar heeft stilgezeten na de laatste aanmaning, is onvoldoende om te kunnen spreken van rechtsverwerking.
4.5.
De conclusie van al het voorgaande is dat de kantonrechter de gevorderde hoofdsom van € 114,75 zal toewijzen.
4.6.
Unigarant vordert daarnaast wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro. Tegen de verschuldigdheid van de wettelijke rente is door [gedaagde] verweer gevoerd, inhoudende dat hij de factuur, de herinneringen en/of aanmaningen niet heeft ontvangen omdat deze niet naar een juist adres en/of e-mailadres zijn gestuurd. De brief van 24 februari 2022 (die wel naar het juiste adres is gestuurd) betwist hij eveneens te hebben ontvangen. [gedaagde] meent dus – zo begrijpt de kantonrechter – dat hij niet in verzuim verkeert. De kantonrechter overweegt dat de brief van 24 februari 2022 weliswaar naar het juiste adres van [gedaagde] is gestuurd, maar gelet op de betwisting van [gedaagde] had het op de weg van Unigarant gelegen om aan te tonen dat [gedaagde] deze brief heeft ontvangen. Dat heeft zij niet gedaan. Deze brieven spelen daarom geen rol bij de bepaling van de ingangsdatum van de wettelijke rente. Unigarant heeft de wettelijke rente gevorderd met ingang van de (respectievelijke) vervaldag(en) van de ingebrekestelling(en). Zij heeft niet toegelicht wat zij daarmee concreet bedoelt, zodat de kantonrechter hieraan voorbij gaat en de wettelijke rente zal toewijzen met ingang van de datum van dagvaarding, te weten 6 juni 2024.
4.7.
Unigarant vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Ter onderbouwing van deze vordering stelt Unigarant dat zij met de brief van 24 februari 2022 aan [gedaagde] een aanmaning heeft gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. [gedaagde] heeft de ontvangst van deze brief betwist. In dit verband geldt hetzelfde als bij de wettelijke rente. De brief van 24 februari 2022 is weliswaar naar het juiste adres van [gedaagde] gestuurd, maar gelet op de betwisting van [gedaagde] had het op de weg van Unigarant gelegen om aan te tonen dat [gedaagde] deze brief heeft ontvangen. Dat heeft zij niet gedaan. Bij die stand van zaken kan niet worden vastgesteld dat [gedaagde] daadwerkelijk een aanmaning heeft ontvangen die voldoet aan de vereisten van artikel 6:96 lid 6 BW Pro, zodat de buitengerechtelijke incassokosten niet toewijsbaar zijn.
4.8.
[gedaagde] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Unigarant worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
137,39
- griffierecht
130,00
- salaris gemachtigde
80,00
(2 punten × € 40,00)
- nakosten
20,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
367,39
5. De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Unigarant te betalen een bedrag van € 114,75, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 6 juni 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 367,39, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2025.