ECLI:NL:RBZWB:2025:2614

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2025
Publicatiedatum
30 april 2025
Zaaknummer
11331793 \ CV EXPL 24-3354
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van Dam
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m BWArt. 7:11 BWArt. 7:26 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering betaling wegens niet ontvangen consumentengoederen

Gedaagde bestelde op 2 oktober 2023 via een webwinkel goederen ter waarde van € 99,90 met achteraf betalen via Billink. Billink vorderde betaling van de koopprijs vermeerderd met incassokosten en rente, omdat de factuur onbetaald bleef.

Gedaagde erkende de bestelling maar betwistte ontvangst van de goederen en meldde dit aan de webwinkel, die het pakket zou onderzoeken. Billink kon geen bewijs van aflevering overleggen en stelde onvoldoende dat de bestelling daadwerkelijk was ontvangen.

De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 7:11 BW Pro de bewijslast van ontvangst bij Billink ligt. Omdat Billink niet heeft onderbouwd dat de goederen zijn afgeleverd, is niet vastgesteld dat gedaagde de goederen heeft ontvangen. De vordering tot betaling wordt daarom afgewezen.

Billink is veroordeeld in de proceskosten, die voor gedaagde nihil zijn vastgesteld omdat hij geen professionele bijstand had en geen kosten maakte.

Het vonnis is gewezen door mr. Van Dam en uitgesproken op 16 april 2025.

Uitkomst: De vordering van Billink wordt afgewezen omdat niet is vastgesteld dat gedaagde de goederen heeft ontvangen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11331793 \ CV EXPL 24-3354
Vonnis van 16 april 2025
in de zaak van
BILLINK FINANCIAL SOLUTIONS B.V.,
gevestigd te Gouda,
eisende partij,
hierna te noemen: Billink
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 augustus 2024 met producties,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek,
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

waar gaat deze zaak over?
2.1.
[gedaagde] heeft op 2 oktober 2023 via de [webwinkel] (hierna: [webwinkel] ) een bestelling geplaatst voor € 99,90. Hij heeft bij het bestellen gekozen om achteraf te betalen via Billink. Billink heeft een orderbevestiging met een factuur naar het e-mailadres van [gedaagde] gestuurd. De factuur had uiterlijk op 15 oktober 2023 betaald moeten worden. De factuur is onbetaald gebleven.
de vordering
2.2.
Billink vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 145,45 (dit bedrag bestaat uit de hoofdsom van € 99,90, de incassokosten van € 40,00 en de rente berekend tot 21 augustus 2024 van € 5,55), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 99,90 vanaf 21 augustus 2024 tot de dag van algehele voldoening, en de kosten van deze procedure.
2.3.
Aan haar vorderingen legt Billink ten grondslag dat sprake is van een koopovereenkomst tussen de [webwinkel] en [gedaagde] . Op grond van die koopovereenkomst is [gedaagde] gehouden de koopprijs te betalen voor de door hem op 2 oktober 2023 geplaatste bestelling. [gedaagde] heeft bij het plaatsen van de bestelling gekozen om achteraf te betalen via Billink waardoor de vordering op [gedaagde] tot betaling van de koopprijs direct door [webwinkel] in eigendom is overgedragen aan Billink middels cessie. Op 2 oktober 2023 heeft Billink een factuur aan [gedaagde] gestuurd voor de bestelling bij [webwinkel] met een betaaltermijn van 14 dagen. [gedaagde] heeft deze factuur niet binnen de betalingstermijn voldaan. Billink heeft daarom op 18 oktober 2023 per e-mail een herinnering gestuurd, maar ook daarna is de factuur onbetaald gebleven.
2.4.
[gedaagde] erkent dat hij een bestelling heeft geplaatst bij [webwinkel] , maar hij voert aan dat hij deze bestelling niet heeft ontvangen. Hij heeft dit (telefonisch) bij [webwinkel] gemeld en [webwinkel] zou uitzoeken wat er met het pakket was gebeurd. [gedaagde] heeft daarna niets meer vernomen.
2.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

ambtshalve toetsing van de (pre)contractuele informatieverplichtingen
3.1.
De overeenkomst is gesloten tussen een handelaar en een consument. De overeenkomst is buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van artikel 6:230m Burgerlijk Wetboek (BW). Dit ter bescherming van de consument. De handelaar moet gemotiveerd stellen en onderbouwen dat aan deze plichten is voldaan. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd.
3.2.
De kantonrechter is van oordeel dat Billink voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat aan voornoemde informatieplichten is voldaan, zodat in beginsel sprake is van een rechtsgeldige koopovereenkomst.
de inhoudelijke beoordeling
3.3.
[gedaagde] betwist niet dat hij de koopovereenkomst waarop Billink haar vordering baseert, heeft gesloten. Hij voert echter aan dat hij de bestelling nooit heeft ontvangen. Uit de stellingen van [gedaagde] begrijpt de kantonrechter dat hij zich op het standpunt stelt dat hij niet hoeft te betalen voor iets dat hij niet heeft ontvangen.
3.4.
Billink voert daartegen aan dat de adresgegevens die zijn ingevuld bij het plaatsen van de bestelling overeenkomen met het adres waarop [gedaagde] woonachtig is en met de adresgegevens uit de Basisregistratie Personen. Hoewel Billink vanwege het tijdsverloop geen verzendbewijs (meer) kan overleggen, is het ongeloofwaardig dat de bestelling destijds niet op dat adres is afgeleverd. Bovendien stelt Billink dat haar niets bekend is van contact hierover tussen [gedaagde] en [webwinkel] .
3.5.
De kantonrechter overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:11 BW Pro gaat bij bezorging van zaken het risico op de consument over op het moment dat de consument de zaak heeft ontvangen. Met ‘ontvangen’ wordt bedoeld dat de consument daadwerkelijk de zaak in handen heeft gekregen. De verkoper is dus verantwoordelijk voor het pakket tot de feitelijke aflevering aan de consument. Op Billink rust daarom de bewijslast dat [gedaagde] de bestelling heeft ontvangen. Verder dient op grond van artikel 7:26 lid 2 BW Pro de koopsom in beginsel te worden betaald ten tijde van de aflevering. Nu [gedaagde] betwist dat hij de bestelling heeft ontvangen, betwist hij tevens de opeisbaarheid van de koopsom. Het ligt daarom op de weg van Billink om haar stelling dat [gedaagde] de bestelling wel ontvangen heeft en dat de vordering dus opeisbaar is, nader te onderbouwen. De enkele stelling van Billink dat de producten naar het opgegeven adres zijn verzonden, zonder enige vorm van onderbouwing en bevestiging van aflevering van de bestelling, is daartoe onvoldoende. Billink laat na te stellen en onderbouwen wanneer aflevering heeft plaatsgevonden en op welke wijze en of zij [gedaagde] daarvan op de hoogte heeft gebracht. Daarbij komt nog dat [gedaagde] stelt dat hij – conform de instructies in de factuur en de herinnering van Billink – contact heeft gezocht met [webwinkel] toen hij het pakket niet heeft ontvangen. Het is daarom niet vast komen te staan dat [gedaagde] de door hem bestelde goederen heeft ontvangen. Hij hoeft de koopsom dan ook niet te betalen. De vordering van Billink zal worden afgewezen.
proceskosten
3.6.
Billink is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde] zich niet heeft laten bijstaan door een professioneel gemachtigde, en gesteld noch gebleken is dat hij anderszins kosten heeft gemaakt in het kader van deze procedure die voor vergoeding in aanmerking komen, zullen de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] worden vastgesteld op nihil.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst de vordering van Billink af,
4.2.
veroordeelt Billink in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2025.