ECLI:NL:RBZWB:2025:2620

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 april 2025
Publicatiedatum
30 april 2025
Zaaknummer
11458823 \ CV EXPL 24-4290
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van den Boom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:59 BWArt. 7:60 BWArt. 7:65 lid 2 BWArt. 7:74 onder h BWArt. 7:76 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing contractuele rente en afwijzing incassokosten in consumentenkredietgeschil

Defam B.V. heeft een kredietovereenkomst gesloten met [gedaagde] c.s. voor een bedrag van €62.000, waarbij een rente van 4,1% per jaar is overeengekomen. [gedaagde] c.s. heeft een betalingsachterstand van meer dan twee maanden laten ontstaan, waarna Defam het openstaande saldo heeft opgeëist en een procedure is gestart.

Tijdens de procedure heeft [gedaagde] c.s. een groot deel van de hoofdsom voldaan, waardoor alleen de rente en kosten nog openstonden. De rechtbank oordeelt dat Defam aan haar (pre)contractuele informatieverplichtingen en kredietwaardigheidstoets heeft voldaan, en dat het opeisingsbeding niet oneerlijk is.

De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen vanwege dwingende wettelijke bepalingen. De gevorderde contractuele rente wordt toegewezen, inclusief rente vanaf 8 oktober 2024 tot de datum van betaling. De proceskosten worden aan [gedaagde] c.s. opgelegd en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de consument tot betaling van de contractuele rente en proceskosten en wijst de buitengerechtelijke incassokosten af.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11458823 \ CV EXPL 24-4290
Vonnis van 23 april 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap DEFAM B.V., h.o.d.n. DEFAM TOTAAL, DEFAM FINANCIERINGEN, DEFAM PLUS, DEFAM FLEX, DEFAM CREDIT, DEFAM SELECT EN GREENLOANS,
statutair gevestigd te Bunnik, kantoorhoudende te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Defam,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen

1.[gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] ,

beiden wonende te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde] c.s.,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 22 januari 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de e-mail van de gemachtigde van Defam van 24 maart 2025 met een vermindering van eis;
- de mondelinge behandeling van 26 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Defam en [gedaagde] c.s. hebben op 25 mei 2018, een overeenkomst genaamd ‘Huiseigenaar Persoonlijke Lening’ gesloten, waarbij Defam aan [gedaagde] c.s. een kredietbedrag heeft verstrekt van € 62.000,00 (hierna: de kredietovereenkomst).
2.2.
De overeengekomen (debet)rente bedraagt 4,1% per jaar. De looptijd van de kredietovereenkomst is 120 maanden. Het door [gedaagde] c.s. te betalen maandbedrag is € 628,45. Dit bedrag bestaat uit een deel rente en een deel aflossing. [gedaagde] c.s. dient in totaal een bedrag van € 75.414,00 te voldoen.
2.3.
Op de kredietovereenkomst zijn de Voorwaarden Persoonlijke Lening DEFAM B.V. ( [kenmerk] ) (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. In artikel 5 van Pro deze algemene voorwaarden staat:
“U moet aan ons de vertragingsvergoeding betalen over alles dat wij opeisbaar van u te vorderen hebben in deze gevallen:
  • Eén of meer termijnbedragen staan op de afgesproken vervaldagen niet op onze rekening.
  • Gehele opeising van het openstaande saldo door ons op één van de gronden zoals genoemd in artikel 8 van Pro de voorwaarden.
(…)”
In artikel 8 van Pro de algemene voorwaarden staat:
“In bepaalde gevallen mogen wij de overeenkomst direct opzeggen en het totale kredietbedrag opeisen. Wij mogen dit doen als:
a.
u een verschuldigde termijn na tenminste twee maanden nog niet heeft betaald. Ook niet nadat wij u hebben gevraagd te betalen en u in gebreke hebben gesteld;
(…)”
2.4.
[gedaagde] c.s. heeft een betalingsachterstand van ten minste twee maanden laten ontstaan. Bij brief van 20 oktober 2019 heeft Defam [gedaagde] c.s. gesommeerd het openstaande bedrag van € 1.256,35 te voldoen, en meegedeeld dat hij bij gebreke daarvan de volledige openstaande schuld direct moet terugbetalen.
2.5.
Bij brief van 16 februari 2022 heeft Defam betaling gevorderd van het totale kredietsaldo, op dat moment € 63.425,72.
2.6.
Na het uitbrengen van de dagvaarding heeft [gedaagde] c.s. op 13 maart 2025 een bedrag van € 20.000,00 en op 20 maart 2025 een bedrag van € 38.427,75 aan Defam betaald.

3.Het geschil

3.1.
Defam vordert – samengevat – bij dagvaarding, hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] c.s. tot betaling van een bedrag van € 64.879,96 (bestaande uit € 58.427,75 aan hoofdsom tot 8 oktober 2024, € 5.307,48 aan rente berekend tot 8 oktober 2024, € 1.644,73 aan buitengerechtelijke incassokosten, minus betaling van € 500,00), vermeerderd met rente.
3.2.
Na vermindering van eis vordert Defam – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] c.s. tot betaling van een bedrag van € 6.452,21 (bestaande uit € 5.307,48 aan rente berekend tot 8 oktober 2024, € 1.644,73 aan buitengerechtelijke incassokosten, minus betaling van € 500,00) primair vermeerderd met de overeengekomen rente van 0,300 % per maand met als maximum de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding krachtens artikel 35 Wet Pro op het consumentenkrediet / artikel 7:76 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), over dat bedrag vanaf 8 oktober 2024, subsidiair vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 8 oktober 2024, met veroordeling van [gedaagde] c.s. in de kosten van deze procedure.
3.3.
Defam legt aan de vordering ten grondslag dat zij op 25 mei 2018 een kredietovereenkomst met [gedaagde] c.s. heeft gesloten, waarbij zij € 62.000,00 aan [gedaagde] c.s. heeft verstrekt. Het door [gedaagde] c.s. te betalen maandbedrag bedroeg € 628,45. [gedaagde] c.s. heeft niet voldaan aan zijn verplichtingen uit de overeenkomst. Hij heeft een betalingsachterstand laten ontstaan van meer dan twee maanden. Defam heeft [gedaagde] c.s. bij brief van 20 oktober 2019 verzocht en gesommeerd het openstaande bedrag van € 1.256,35 te voldoen, maar [gedaagde] c.s. heeft hieraan niet voldaan. Op 16 februari 2022 heeft Defam op grond van artikel 8 sub a van Pro de algemene voorwaarden het totaal verschuldigde bedrag van € 63.425,72 opgeëist. Defam vordert betaling van het totaal verschuldigde, vermeerderd met rente en kosten.
3.4.
[gedaagde] c.s. voert verweer. Hij erkent dat een betalingsachterstand op het krediet is ontstaan. Door persoonlijke omstandigheden is hij niet in staat geweest aflossingen te doen of het bedrag ineens te betalen. Hij voert aan dat hij heeft aangegeven dat hij bezig was met de verkoop van zijn huis, waarna hij de vordering zou betalen. Het was dan ook niet nodig dat Defam een procedure is gestart en kosten heeft gemaakt. [gedaagde] c.s. meent dat de gevorderde rente, proceskosten en buitengerechtelijke incassokosten moeten worden afgewezen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Opeisen van het openstaande bedrag

4.1.
De regels omtrent consumentenkredietovereenkomsten moeten, voor zover deze zien op de bescherming van de consument, ambtshalve worden toegepast. Dit brengt mee dat Defam dient te voldoen aan haar (pre)contractuele informatieverplichtingen, zoals bedoeld in de artikelen 7:59 e.v. BW en aan de kredietwaardigheidstoets van artikel 8 van Pro Richtlijn 2008/48/EG en artikel 4:34 van Pro de Wet op het financiële toezicht (hierna: Wft).
4.2.
Vaststaat dat [gedaagde] c.s. een kredietovereenkomst van € 62.000,00 bij Defam heeft afgesloten waarvan hij tenminste twee maandtermijnen onbetaald heeft gelaten. Dit heeft ertoe geleid dat Defam de kredietovereenkomst heeft beëindigd en het openstaande saldo heeft opgeëist. Op grond van het bepaalde in artikel 7:65 lid 2 BW Pro kan de kredietgever (Defam), als dit in de kredietovereenkomst is overeengekomen, een kredietovereenkomst met onbepaalde looptijd beëindigen door de consument ( [gedaagde] c.s.) met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste twee maanden een opzegging te doen toekomen op papier of op een andere duurzame drager. Artikel 8 aanhef Pro en sub a van de algemene voorwaarden is gelijkluidend. De kantonrechter acht het opeisingsbeding dan ook niet oneerlijk in de zin van de Richtlijn 93/13.
4.3.
De kantonrechter stelt vast dat uit de overgelegde stukken blijkt dat Defam aan haar (pre)contractuele informatieverplichtingen heeft gedaan. Mede gelet op artikel 5 van Pro de Richtlijn 2008/48/EG, waarin staat dat de kredietgever geacht wordt te hebben voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen wanneer hij de Europese Standaard Informatieformulier inzake krediet heeft verstrekt, is de kantonrechter van oordeel dat hiermee is voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen. Daarnaast heeft Defam op grond van artikel 7:60 BW Pro [gedaagde] c.s. geruime tijd voordat hij gebonden werd aan de kredietovereenkomst geïnformeerd over de belangrijkste kenmerken van het krediet. Voorts is vast komen te staan dat Defam op een eerder moment het Europees Standaard Informatieformulier aan [gedaagde] c.s. heeft overhandigd dan de datum waarop de kredietovereenkomst is verstrekt. Defam heeft daarmee aan haar (pre)contractuele informatieverplichtingen voldaan.
4.4.
De kantonrechter moet ambtshalve onderzoeken of de kredietgever de verplichting van artikel 8 van Pro Richtlijn 2008/48 EG en artikel 4:34 Wft Pro (de kredietwaardigheidstoets) is nagekomen. Op grond van artikel 4:34 lid 1 Wft Pro dient een kredietverstrekker voor de totstandkoming van een kredietovereenkomst in het belang van de consument informatie in te winnen over diens financiële positie en te beoordelen, ter voorkoming van overkreditering van de consument, of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende vast komen te staan dat Defam de kredietwaardigheid van [gedaagde] c.s. voor de totstandkoming van de kredietovereenkomst heeft getoetst en dat [gedaagde] c.s. financiële gegevens heeft verstrekt, zodat ervan wordt uitgegaan dat voldaan is aan artikel 4:34 Wft Pro.
4.5.
Defam heeft voldaan aan haar (pre)contractuele informatieverplichtingen, aan de kredietwaardigheidstoets en er is geen sprake van een oneerlijk opeisingsbeding. Defam was dus gerechtigd het openstaande saldo in de dagvaarding op te eisen. [gedaagde] c.s. heeft niet bestreden dat dit saldo tot 8 oktober 2024 € 58.427,75 bedroeg, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat. Vaststaat dat [gedaagde] c.s. na het uitbrengen van de dagvaarding een bedrag van € 58.427,75 heeft betaald. Dit bedrag zal ingevolge het bepaalde in artikel 6:43 BW Pro eerst in mindering strekken op de hoofdsom, nu [gedaagde] c.s. ter zitting heeft aangegeven dat de betalingen zien op de hoofdsom, waardoor alleen de rente en kosten nog niet zijn voldaan. Defam heeft dit niet weersproken. Uit het voorgaande volgt dat de hoofdsom volledig is voldaan:
- hoofdsom
58.427,75
+
totaal
58.427,75
- betaling op 13 maart 2025
20.000,00
-/-
- betaling op 20 maart 2025
38.427,75
-/-
totaal
0,00
Buitengerechtelijke incassokosten
4.6.
Defam vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] c.s. voert verweer. Op de overeenkomst tussen partijen zijn de bepalingen betreffende consumentenkredietovereenkomsten van toepassing. In artikel 7:76 BW Pro in verbinding met artikel 7:74 onder Pro h BW is dwingend voorgeschreven dat geen andere of hogere kosten in rekening mogen worden gebracht dan die zijn toegestaan op grond van die bepalingen. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.
De overeengekomen rente
4.7.
Defam maakt nu nog – primair – aanspraak op de overeengekomen rente van 0,300% per maand, die zij tot 8 oktober 2024 heeft berekend op een bedrag van € 5.307,48. Verder maakt Defam aanspraak op de overeengekomen rente van 0,300% per maand, met als maximum de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding krachtens artikel 35 Wet Pro op het consumentenkrediet/ artikel 7:76 lid 2 BW Pro, over het bedrag van € 64.879,96 vanaf 8 oktober 2024 tot de dag der algehele voldoening. [gedaagde] c.s. voert verweer tegen de gevorderde rente.
4.8.
De kantonrechter zal ambtshalve toetsen of het rentebeding waarop de vorderingen betrekking hebben aan de daaraan te stellen eisen voldoet. De hoogte van de vertragingsvergoeding is gelijk gesteld aan de hoogte van de kredietvergoeding. In het geval dit niet zou zijn overeengekomen, zou Defam aanspraak kunnen maken op wettelijke rente. De wettelijke rente is nu 6% per jaar en was 8% per jaar ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst in 2018. De overeengekomen kredietvergoeding en vertragingsvergoeding zijn 3,66% per jaar (0,300% per maand komt gecumuleerd neer op 3,66% per jaar).
4.9.
Van een onevenredige schadevergoeding in de zin van de Richtlijn 93/13 is geen sprake. Bij dit oordeel heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat de hoogte van de verschuldigde rente gedurende de loop van de overeenkomst gelijk blijft. Partijen zijn overeengekomen dat de rente op jaarbasis 4,1% bedraagt en dat dit percentage gedurende de gehele looptijd vaststaat. Daar komt bij dat het gehanteerde percentage van 3,66% per jaar niet onevenredig hoog is, gelet op de huidige normen voor kredietvergoedingen in consumentenkredietovereenkomsten onder het Besluit Kredietvergoeding, zijnde de wettelijke rente op jaarbasis verhoogd met 8 procentpunt.
4.10.
Het voorgaande brengt met zich dat de door Defam tot 8 oktober 2024 berekende rente van € 5.307,48, waarbij geldt dat tegen de juistheid van het berekende bedrag als zodanig geen verweer is gevoerd, in beginsel toewijsbaar is. [gedaagde] c.s. betoogt weliswaar dat de rente niet verschuldigd is omdat Defam geen verlies lijdt bij niet-betaling daarvan en dat hij door betaling juist in de problemen komt, maar partijen zijn nou eenmaal overeengekomen dat rente moet worden betaald over het geleende bedrag. Defam maakt dus terecht aanspraak op betaling hiervan. De persoonlijke omstandigheden van [gedaagde] c.s., hoe betreurenswaardig deze ook mogen zijn, ontslaan hem niet van zijn contractuele verplichtingen tegenover Defam.
4.11.
De betaling van € 500,00 strekt volgens artikel 6:44 BW Pro eerst in mindering op de kosten en daarna in mindering op de verschenen rente. Nu de buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, strekt de betaling van € 500,00 eerst in mindering op de reeds verschenen rente, waardoor er een toewijsbaar bedrag van € 4.807,48 resteert.
4.12.
De gevorderde contractuele rente van 0,300% per maand vanaf 8 oktober 2024 wordt toegewezen over de hoofdsom van € 58.427,75 tot het moment van de betaling van het bedrag van € 20.000,00 (13 maart 2025) en vanaf dat moment over een bedrag van € 38.427,75 tot aan 20 maart 2025. Gesteld noch gebleken is dat partijen een verdergaande verschuldigdheid van rente over rente zijn overeengekomen.
Proceskosten
4.13.
[gedaagde] c.s. is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde] c.s. voert verweer tegen deze proceskosten. De kantonrechter gaat aan dit verweer voorbij. Ook hier geldt dat de persoonlijke omstandigheden van [gedaagde] c.s. geen reden kunnen vormen om de vordering op dit punt niet toe te wijzen. De proceskosten van Defam worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
138,80
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
815,00
(1 punt × € 815,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.549,80
De kantonrechter is van oordeel dat, in dit specifieke geval, geen salarispunt voor de mondelinge behandeling zal worden toegekend, nu de gemachtigde van Defam online via Teams de zitting heeft bijgewoond, en hiermee de reis van Utrecht naar Bergen op Zoom heeft bespaard.
Hoofdelijke aansprakelijkheid
4.14.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] c.s. hoofdelijk om aan Defam te betalen een bedrag van € 4.807,48 aan vervallen rente tot 8 oktober 2024, te vermeerderen met de contractuele rente van 0,300% per maand over een bedrag van € 58.427,75 vanaf 8 oktober 2024 tot 13 maart 2025 en over een bedrag van € 38.427,75 vanaf 13 maart 2025 tot 20 maart 2025,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 2.549,80, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2025.