AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening bij ontbinding geregistreerd partnerschap
De vrouw heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in het kader van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap met de man. Het verzoek betrof onder meer het verblijven in de woning en het betalen van partneralimentatie.
Partijen bereikten overeenstemming over de partneralimentatie, waarbij de man een bedrag van € 1.212,00 bruto per maand zal betalen vanaf 1 april 2025. Het verzoek betreffende de woning werd door de vrouw ingetrokken. De mondelinge behandeling op 10 april 2025 ging daarom niet door.
De rechtbank oordeelt dat de hoofdzaak ziet op de ontbinding van het geregistreerd partnerschap, waarvoor de artikelen 821 tot en met 826 Rv een bijzondere en uitputtende regeling van voorlopige voorzieningen bevatten. Hierdoor is toepassing van artikel 223 RvPro niet mogelijk, zoals bevestigd door de Hoge Raad in het arrest van 31 augustus 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1414).
Daarom verklaart de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 RvPro. De beschikking is op 24 april 2025 in het openbaar uitgesproken door rechter Voorn.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv is niet-ontvankelijk verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/432176 / FA RK 25-902
beschikking d.d. 24 april 2025 op het verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening ex artikel 223 RvPro
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom,
en
[de man],
wonende te [woonplaats 2],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 17 februari 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- de brief d.d. 1 april 2025 van mr. Bronsveld;
- de brief d.d. 2 april 2025 van mr. Baas.
1.2. Bij voormeld verzoekschrift is (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/432174 / FA RK 25-900. In de hoofdzaak ligt een verzoek tot beëindiging van het geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen voor.
1.3. De op 10 april 2025 bepaalde mondelinge behandeling heeft op verzoek van partijen – omdat zij overeenstemming hebben bereikt – geen doorgang gevonden.
2.De feiten
2.1.
Partijen, Nederlanders, zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan onder partnerschapsvoorwaarden.
3.Het verzoek
3.1.
De vrouw verzoekt:
- bij wijze van provisionele voorziening te bepalen dat de vrouw in de woning te [woonplaats 1], aan de Biezenbaan 18 zal kunnen verblijven tot zes maanden na de door de rechtbank te geven beschikking en voorts te bepalen dat de man zal voldoen een bedrag van € 1.210,00 per maand aan partneralimentatie per datum af te geven beschikking door de rechtbank.
4.De beoordeling
4.1.
Bij voormelde brief van 1 april 2025 is namens de vrouw bericht dat partijen overeenstemming hebben bereikt over het deel van het verzoek betreffende de partneralimentatie, inhoudende dat de man aan de vrouw zal voldoen per 1 april 2025 een bedrag van € 1.212,00 bruto. Het verzoek betreffende de woning in deze procedure is door de vrouw ingetrokken. Daarbij verzoekt de vrouw om het vorenstaande vast te leggen in een beschikking. Namens de vrouw wordt bericht dat de mondelinge behandeling, gelet op de overeenstemming, geen doorgang hoeft te vinden.
4.2.
Bij genoemde brief van 2 april 2025 is namens de man bevestigd dat partijen overeenstemming hebben bereikt overeenkomstig hetgeen mr. Bronsveld in zijn brief van
1 april jl. heeft aangegeven. Ook de man heeft aangegeven dat de mondelinge behandeling geen doorgang behoeft te vinden.
4.3.
De vrouw vraagt bij wijze van provisionele voorziening een voorlopige voorziening. Haar verzoek is derhalve gebaseerd op artikel 223 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Vaststaat dat de hoofdzaak tussen partijen ziet op de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen; op grond van artikel 828 RvPro zijn de bepalingen over de rechtspleging in scheidingszaken daarbij van overeenkomstige toepassing. De wetgever heeft met de artikelen 821-826 Rv voorzien in een bijzondere regeling van voorlopige voorzieningen in die procedure. Hiermee heeft de wetgever kennelijk bedoeld een uitputtende regeling te treffen van voorlopige voorzieningen die kenmerkend zijn voor een scheidingsprocedure. Daarmee is niet te verenigen dat een dergelijke voorziening ook op de voet van artikel 223 RvPro kan worden gevraagd, zodat geen plaats is voor toepassing van artikel 223 RvPro, zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van
31 augustus 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1414). Het voorgaande leidt ertoe dat de vrouw niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 RvPro.
5.De beslissing
De rechtbank:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 april 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het