ECLI:NL:RBZWB:2025:2723

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2025
Publicatiedatum
7 mei 2025
Zaaknummer
C/02/409293 / HA ZA 23-253 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Römers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid voor verontreiniging door onjuist aangebracht zuiveringsslib en kostenverdeling

In deze civiele procedure staat centraal of de vennootschap onder firma en haar vennoten aansprakelijk zijn voor de door eiser geleden schade als gevolg van verontreiniging van zijn percelen door het aanbrengen van zuiveringsslib dat bleek te zijn vermengd met grijs materiaal. De rechtbank heeft vastgesteld dat de gedaagde partij daadwerkelijk het grijze materiaal op de percelen van eiser heeft aangebracht, wat in strijd was met de gesloten overeenkomst waarin alleen zuiveringsslib mocht worden aangebracht.

De bewijsvoering bestond uit verklaringen van een boswachter, toezichthouders van de Omgevingsdienst, rapporten en eerdere bestuursrechtelijke procedures. De stellingen van gedaagde dat het materiaal niet verontreinigd was of dat het grijze materiaal al eerder aanwezig was, werden onvoldoende onderbouwd en verworpen. De rechtbank oordeelde dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming en een causaal verband met de saneringskosten die eiser moest maken op last van de gemeente.

Daarnaast werd beoordeeld of eiser moest meebetalen aan de kosten van de bestuursrechtelijke procedure en sanering. De rechtbank bepaalde dat 25% van de schade voor rekening van eiser blijft, waardoor verrekening met de vorderingen van gedaagde plaatsvindt. De proceskosten worden verdeeld waarbij gedaagde in conventie en eiser in reconventie de kosten van de wederpartij moeten betalen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde is toerekenbaar tekortgeschoten en moet saneringskosten en proceskosten deels vergoeden, met verrekening van 25% van de schade aan eiser.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/409293 / HA ZA 23-253
Vonnis van 16 april 2025
in de zaak van
[persoon],
wonende te [plaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. M.J.A. Weda te Haarlem,
tegen
1. de vennootschap onder firma
[V.O.F.],
gevestigd te [plaats 2] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[vennoot 1] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
3.
[vennoot 2],
wonende te [plaats 2] ,
4.
[vennoot 3],
wonende te [plaats 2] ,
5.
[vennoot 4],
wonende te [plaats 2] ,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B.V.],
gevestigd te [plaats 3] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat mr. A.M.C.C. Verblackt te Breda.
Partijen zullen hierna [persoon] , [V.O.F. en vennoten] en [B.V.] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 21 februari 2024 met de daarin genoemde stukken;
  • de akte uitlaten bewijslevering van [persoon] ;
  • het proces-verbaal van getuigenverhoor van 19 juni 2024;
  • de akte uitlaten (na enquête) van [V.O.F. en vennoten]
  • de akte na niet gehouden contra-enquête van [V.O.F. en vennoten] , met de producties 32 en 33;
  • de akte na enquête van [persoon] (aangemerkt als conclusie na enquête);
  • de antwoordakte na enquête van [V.O.F. en vennoten] (aangemerkt als antwoordconclusie na enquête).
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling in conventie en in reconventie

2.1.
In het tussenvonnis van 21 februari 2024 heeft de rechtbank in onderdeel 5.11 overwogen dat de vraag moet worden beantwoord of [V.O.F. en vennoten] tekort is geschoten in de nakoming van de met [persoon] gesloten overeenkomst. Volgens [persoon] heeft [V.O.F. en vennoten] grijs materiaal op zijn percelen opgebracht en is dat materiaal verontreinigd met zware metalen en substantiële gehalten aan minerale oliën. Dit volgt uit de rapporten van de Omgevingsdienst. Dit heeft geleid tot de verplichting zijn percelen te saneren. [V.O.F. en vennoten] betwist dat sprake is van een tekortkoming. Volgens [V.O.F. en vennoten] blijkt uit de memo van MH Poly van 9 juni 2022 dat geen sprake is van een tekortkoming. Er bestond volgens MH Poly immers geen noodzaak tot sanering. De rechtbank heeft [persoon] hierna in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de op zijn percelen opgebrachte substantie zodanig verontreinigd was, dat de grond gesaneerd moest worden.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat [persoon] in die bewijslevering is geslaagd. Ten eerste volgt uit die bewijslevering ook, dat [V.O.F. en vennoten] de grijze substantie op de percelen van [persoon] heeft aangebracht. Dit bewijs vindt de rechtbank geleverd op grond van de volgende feiten en omstandigheden.
2.2.1.
De (voormalig) boswachter en beheerder van Staatsbosbeheer heeft op 5 oktober 2020 een verklaring opgesteld (zie productie 4 bij dagvaarding), die hij als getuige heeft bevestigd. Hieruit volgt dat op 6 en 7 mei 2020 met meerdere tractoren en kiepers materiaal werd uitgereden op de percelen. Op 11 mei 2020 is de beheerder weer gaan kijken en vermoedde hij direct dat een activiteit had plaatsgevonden die in strijd zou zijn met het gebruik van de gronden als landbouwgrond. Hij heeft een contactpersoon van de provincie gebeld, waarna op 12 mei 2020 de Omgevingsdienst monsters heeft genomen van het materiaal. Het materiaal van de monsters was duidelijk anders van aard dan de ondergrond. Als getuige heeft de beheerder verklaard dat de substantie die is uitgereden allerlei kleuren had: geel, blauw en grijs. Ook heeft hij verklaard dat hij [persoon] op een tractor heeft zien rijden.
2.2.2.
Daarbij komt dat de getuigen van de Omgevingsdienst hun verklaring in de rapporten hebben bevestigd. Uit het bezoekverslag van 15 mei 2020 volgt dat de Omgevingsdienst op 12 mei 2020 grijs materiaal heeft aangetroffen op de percelen, dat een van de toezichthouders contact heeft opgenomen met [V.O.F. en vennoten] en dat [V.O.F. en vennoten] heeft verklaard de transporten naar de percelen te hebben uitgevoerd.
2.2.3.
De beroepsprocedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is formeel op naam van [persoon] maar feitelijk door alle partijen gevoerd (zie onderdeel 2.27 van het tussenvonnis). In die procedure is onder meer betoogd dat het feitelijk onmogelijk was om bij het opbrengen van het zuiveringsslib ook het vele grijze materiaal op te brengen. Dat betoog is door de Afdeling gemotiveerd verworpen, na een beoordeling van deels dezelfde feiten als in deze procedure zijn gepresenteerd.
2.3.
Hetgeen door [V.O.F. en vennoten] is aangevoerd weegt onvoldoende op tegen het door [persoon] geleverde bewijs, om de volgende redenen.
2.3.1.
Uit niets blijkt dat anderen dan [V.O.F. en vennoten] in die periode materiaal op de percelen hebben aangebracht. In het bezoekverslag van 15 mei 2020 staat dat volgens een buurtbewoner en de genoemde beheerder op 1 mei 2020 de percelen zijn bemest en daarna bewerkt. Blijkbaar heeft de beheerder op dat moment niet geconstateerd dat grijs materiaal is aangebracht. Uit dit enkele feit kan dan ook niet de conclusie worden getrokken dat het grijze materiaal al op 1 mei 2020 is aangebracht.
2.3.2.
[V.O.F. en vennoten] wijst er nog op, dat de beheerder niet de naam [V.O.F. en vennoten] heeft genoemd hoewel dit op tractoren van [V.O.F. en vennoten] staat vermeld. [V.O.F. en vennoten] heeft niet gesteld dat zij nog een ander bedrijf heeft ingeschakeld zodat dit niet van belang is. De beheerder heeft bovendien niet verklaard dat er door verschillende bedrijven is gereden met tractoren. Daarmee staat voldoende vast [V.O.F. en vennoten] zelf het transport heeft verzorgd. Op basis van de verklaring van de beheerder gaat de rechtbank ervan uit, dat [persoon] zelf heeft meegeholpen bij het uitrijden van het materiaal. Dit doet niet af aan de verplichting van [V.O.F. en vennoten] om op grond van de overeenkomst met [persoon] alleen zuiveringsslib te leveren en te cultiveren. Dat [persoon] zelf ergens grijs materiaal vandaan heeft gehaald buiten [V.O.F. en vennoten] om, is niet ondersteund met feiten. Het blijft bij een hypothese en dat is onvoldoende als tegenbewijs.
2.3.3.
Volgens [V.O.F. en vennoten] heeft hij zuiveringsslib dat afkomstig was van [B.V.] op de percelen van [persoon] aangebracht. [B.V.] heeft haar bassin zuiveringsslib laten leeghalen door [bedrijf 1] en [V.O.F. en vennoten] heeft in opdracht van [B.V.] het verwijderde zuiveringsslib afgevoerd. Voordat het bassin door [bedrijf 1] is geleegd, is een monster genomen van het zich in het bassin bevindende zuiveringsslib. Dit monster is onderzocht door Eurofins. Eurofins heeft een certificaat afgegeven en bevestigd dat het onderzochte materiaal niet verontreinigd organisch zuiveringsslib is. [persoon] heeft niet gesteld dat dit certificaat onjuist is of dat hieruit zou blijken dat het door [V.O.F. en vennoten] opgebrachte zuiveringsslib vervuild was, aldus [V.O.F. en vennoten]
De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Het certificaat is gebaseerd op een monstername van 20 februari 2020 en staat op naam van [bedrijf 2] BV. De heer [naam] van [B.V.] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij eerst [bedrijf 2] heeft benaderd om de partij af te zetten. Vanwege het tarief is het niet [bedrijf 2] geworden maar [V.O.F. en vennoten] die het zuiveringsslib zou afvoeren. Uit het certificaat volgt dat het op 20 februari 2020 bij [B.V.] aanwezige zuiveringsslib inderdaad zuiveringsslib in de zin van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet was. Daaruit volgt echter nog niet dat [V.O.F. en vennoten] alleen die partij zuiveringsslib op de percelen van [persoon] heeft aangebracht, zoals [V.O.F. en vennoten] betoogt. Er is onvoldoende gesteld dat er in de periode 20 februari 2020 tot 6 mei 2020 niets aan die partij zuiveringsslib is veranderd en ook niet inzichtelijk gemaakt dat alleen dit zuiveringsslib op de percelen van [persoon] is aangebracht. Dit had kunnen blijken uit vóór het transport opgestelde vervoersbewijzen. Zoals de Afdeling heeft overwogen is dat niet gebeurd. Aan de omstandigheid dat achteraf vervoersbewijzen zijn opgesteld komt geen betekenis toe. Het certificaat van Eurofins levert dus onvoldoende tegenbewijs op.
2.3.4.
Volgens [V.O.F. en vennoten] is het door hem aangebrachte zuiveringsslib door het ploegen vermengd geraakt met het al aanwezige grijze materiaal in de bodem. [V.O.F. en vennoten] onderbouwt die stelling met het rapport van 3 januari 2019 van de Omgevingsdienst met als titel ‘Inspectie van de bodem middels verkennend bodem- en asbestonderzoek op de percelen aan de [adres] te [plaats 1] ’.
De rechtbank constateert dat partijen dit rapport (zoals gezegd op naam van [persoon] ) in beroep aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hebben voorgelegd. Dit met enkele andere rapporten die in deze procedure niet zijn overgelegd. Betoogd is dat het grijze materiaal baggerspecie uit de aangrenzende sloten kan zijn, dat in eerdere jaren door het waterschap is opgebracht en door hem verder is verspreid. De Afdeling heeft alle rapporten, waaronder die van de gemeente die evenmin in deze procedure zijn overgelegd, beoordeeld en afgewogen en is tot de conclusie gekomen dat niet aannemelijk is gemaakt dat het op de percelen van [persoon] aangetroffen grijze materiaal baggerspecie uit de aangrenzende sloten is. De hoeveelheid waargenomen grijs materiaal, de samenstelling van dat materiaal en het tijdstip van verspreiding van de baggerspecie, waarna op de percelen nog mais is geteeld, wijzen er niet op dat het om eerder opgebrachte baggerspecie gaat, aldus de Afdeling. De rechtbank ziet geen reden om deze stelling anders te beoordelen dan de Afdeling, aan wie op dit punt veel meer feitenmateriaal is gepresenteerd dan in deze procedure. [V.O.F. en vennoten] heeft daartoe onvoldoende feiten gesteld en onderbouwd.
In de brief van 18 december 2024 concludeert MH Poly dat het onderzoek waarvan de bevindingen in het rapport zijn neergelegd niet voldoet aan de NEN 5740, als zeer indicatief moet worden beschouwd, en niet representatief is voor de percelen van [persoon] . MH Poly vermeldt echter geen gegevens waaruit blijkt dat het grijze materiaal als baggerspecie uit de aangrenzende sloten al aanwezig is geweest voordat [V.O.F. en vennoten] in mei 2020 materiaal op de percelen van [persoon] heeft aangebracht.
Er kan daarom niet vanuit worden gegaan, dat het zuiveringsslib vermengd is geraakt met het al aanwezige grijze materiaal, zoals [V.O.F. en vennoten] heeft aangevoerd. In die zin is er ook geen sprake van voldoende overtuigend tegenbewijs.
2.4.
Omdat [V.O.F. en vennoten] het grijze materiaal op de percelen van [persoon] heeft aangebracht, is hij toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst. In de hiervoor (in onderdeel 2.1) genoemde overweging van het tussenvonnis ligt impliciet het oordeel besloten, dat geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst als achteraf kan worden vastgesteld dat de grond niet verontreinigd is geweest. Dat impliciete oordeel is niet juist.
Omdat is bewezen dat [V.O.F. en vennoten] een grijze substantie die als grond kwalificeert (en dus niet als zuiveringsslib) op de percelen van [persoon] heeft aangebracht, is dat op zichzelf al een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Die overeenkomst hield immers in dat [V.O.F. en vennoten] (alleen) zuiveringsslib zou aanbrengen op de percelen van [persoon] en niet grond. Omdat de gemeente via een last onder dwangsom [persoon] heeft verplicht de grond te saneren en een daartegen ingesteld beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ongegrond is verklaard, is daarmee gegeven dat [persoon] de grond verplicht moest saneren en daarvoor kosten moest maken. Er is daarmee causaal verband tussen de tekortkoming van [V.O.F. en vennoten] en de door [persoon] geleden schade, bestaande uit die kosten van sanering. Als na sanering kan worden vastgesteld dat de grond niet verontreinigd is geweest, neemt dit niet weg dat het aanbrengen van grond ook met die wetenschap een tekortkoming van [V.O.F. en vennoten] en de kosten van sanering schade zijn. Dit heeft tot gevolg dat niet hoeft te worden beoordeeld of de Omgevingsdienst en de gemeente terecht tot de conclusie zijn gekomen of de grond verontreinigd is geweest. Hetgeen [V.O.F. en vennoten] met de brief van MH Poly van 18 december 2024 (en de eerdere memo van MH Poly van 9 juni 2022) daartoe aanvoert is dus niet van belang en behoeft niet te worden beoordeeld.
2.5.
De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande niet betekent dat wordt teruggekomen op een bindende eindbeslissing. Van een eindbeslissing is pas sprake als een beslissing uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is gegeven. [1] Hier is geen sprake van een uitdrukkelijke maar van een stilzwijgende beslissing in het tussenvonnis. Er is daarmee sprake van een niet-bindende voorlopige beslissing. [2] Er is ook geen sprake van een verrassingsbeslissing, omdat de beslissing nog steeds voortvloeit uit het tussen partijen gevoerde processuele debat en de door hen aangevoerde grondslagen. [3] De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding partijen in de gelegenheid te stellen zich hierover eerst uit te laten alvorens verder te beslissen.
2.6.
[persoon] verzoekt de rechtbank terug te komen op de overweging dat 50% van het bedrag dat betaald is aan de provincie voor rekening te laten komen van [persoon] . Volgens [persoon] volgt uit de brief van MH Poly van 18 december 2024 dat het herzieningsverzoek geen kans van slagen zou hebben gehad. Het zou niet mogelijk zijn geweest te bewijzen dat de Omgevingsdienst ten onrechte had geconstateerd dat het opgebrachte materiaal vervuild was en dat de saneringsverplichting ten onrechte was opgelegd. MH Poly stelt dat het mogelijk zou zijn geweest dat er sprake was van een valse uitslag, maar technisch bewijs ontbreekt nu de uitspraak is gedaan op basis van materiaal dat 2,5 jaar geleden is afgenomen en inmiddels vermengd is geraakt met de oorspronkelijke bodem. [persoon] heeft er daarom terecht voor gekozen om de herzieningsprocedure in te trekken. Hierbij is niet van belang of [V.O.F. en vennoten] daarover geïnformeerd was, dat zou de kans van slagen niet anders hebben gemaakt.
[V.O.F. en vennoten] heeft dit gemotiveerd betwist. MH Poly heeft haar stelling weliswaar niet met technisch bewijs onderbouwd maar had die stelling in de herzieningsprocedure wel degelijk met technisch bewijs alsnog nader kunnen onderbouwen. Daarnaast zou in de herzieningsprocedure bovendien ook gewezen kunnen zijn op de onjuistheden en onterechte aannames van de Omgevingsdienst bij het verrichten van de onderzoeken. Ook zou daarbij aangevoerd zijn dat vast staat dat op de percelen van [persoon] voor 1987 sloten zijn gedempt en dat het waarschijnlijk is dat daarbij gebruik is gemaakt van vervuild zand.
2.7.
De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Volgens artikel 8:119 lid 1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk gewezen uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
ij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn;
waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Het herzieningsverzoek is ingediend op 8 juli 2022 met als bijlage de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2021 en het rapport van MH Poly van 9 juni 2022. Op grond van dat memo heeft [persoon] de Afdeling verzocht terug te komen van zijn uitspraak zodat de rechtbank moet beoordelen of dat herzieningsverzoek kans van slagen zou hebben gehad. Het rapport van MH Poly van 9 juni 2022 heeft betrekking op feiten en omstandigheden over de kwaliteit van de bodem in mei 2020. Daarmee is voldaan aan voorwaarde a. [4] Omdat sprake is van gegevens die na sanering aan het licht zijn gekomen, is eveneens voldaan aan voorwaarde b. Rest de vraag of als deze gegevens bij de Afdeling eerder bekend waren geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden (voorwaarde c). De rechtbank is bij nader inzien van oordeel dat de kans hierop zo goed als nihil zou zijn geweest. Hierbij is van belang dat de memo een alternatief scenario schetst zonder dat te onderbouwen met technisch bewijs. Hetzelfde geldt voor het (niet overgelegde maar in de brief van 18 december 2024 wel genoemde) saneringsrapport van 3 november 2022, als dat mede aan de herziening ten grondslag zou zijn gelegd en waarin deze hypothese wordt herhaald. Dit zou niet hebben opgewogen tegen alle rapporten die in de bestuursrechtelijke procedure zijn overgelegd en blijkbaar wel van dat technisch bewijs zijn voorzien.
Voor de overige door [V.O.F. en vennoten] genoemde feiten en omstandigheden geldt dat die niet zouden zijn meegenomen bij het verzoek om herziening, omdat niet voldaan is aan voorwaarde b. De conclusie is dat het herzieningsverzoek vrijwel geen kans van slagen zou hebben gehad.
2.8.
Vanwege die uitkomst ziet de rechtbank aanleiding terug te komen op de voorlopige beslissing in overweging 5.24 van het tussenvonnis. Dit is geen zonder voorbehoud gegeven beslissing, het voorbehoud is immers de uitkomst van de bewijslevering. Bovendien is geen sprake van een verrassingsbeslissing omdat partijen hierover uitdrukkelijk hebben gedebatteerd. De rechtbank hoeft partijen dan ook niet in de gelegenheid te stellen zich hierover eerst uit te laten. Om de in die overweging 5.24 genoemde redenen (maar dan zonder de overweging over het herzieningsverzoek) moet 25% van de schade voor rekening van [persoon] blijven. Dit heeft tot gevolg dat [persoon] zich voor een bedrag van afgerond € 23.406,- kan beroepen op verrekening met de vordering van [V.O.F. en vennoten] in reconventie.
2.9.
De rechtbank zal in conventie de gevorderde verklaring voor recht toewijzen in die zin, dat voor recht wordt verklaard dat [V.O.F. en vennoten] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de met [persoon] gesloten overeenkomst. Voor het overige wordt de vordering afgewezen. In reconventie wordt de vordering van [B.V.] van € 40.185,58 toegewezen. De vordering van [V.O.F. en vennoten] wordt wegens verrekening met de schuld aan [persoon] toegewezen tot een bedrag van € 13.248,- in plaats van € 36.654,-. De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen zoals gevorderd. Uit de stellingen van [V.O.F. en vennoten] volgt dat geen aanspraak wordt gemaakt op wettelijke handelsrente, zodat de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro wordt toegewezen.
2.10.
In conventie heeft als geschilpunt centraal gestaan of [V.O.F.] toerekenbaar tekort is geschoten in de met [persoon] gesloten overeenkomst. Deze vraag is bevestigend beantwoord. Daarnaast is [persoon] in verband hiermee materieel een vordering toegekend van € 23.406,- waarvoor hij een beroep kan doen op verrekening. Alles afwegende heeft [V.O.F. en vennoten] te gelden als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. [V.O.F. en vennoten] moeten daarom de proceskosten van [persoon] in conventie betalen, waarbij wat betreft salaris advocaat tarief III zal worden aangehouden.
De proceskosten van [persoon] in conventie worden aldus begroot op:
- dagvaarding € 109,44
- griffierecht 314,00
- salaris advocaat 2.751,00 (3,5 punten x tarief € 786,-)
- getuigentaxe 150,00
- nakosten
178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.502,44
2.11.
In reconventie heeft [persoon] te gelden als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. [persoon] moet daarom de proceskosten van [V.O.F. en vennoten] in reconventie betalen. Daarbij wordt rekening gehouden met de omstandigheid, dat na het tussenvonnis verrichte proceshandelingen buiten beschouwing worden gelaten omdat die betrekking hebben op de bewijslevering die in conventie heeft plaatsgevonden en daar geliquideerd is.
De proceskosten van [V.O.F. en vennoten] in reconventie worden begroot op:
  • griffierecht € 676,00
  • salaris advocaat 2.428,00 (2 punten x tarief € 1.214,-)
  • nakosten
Totaal € 3.282,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De rechtbank
in conventie
3.1.
verklaart voor recht dat [V.O.F. en vennoten] (gedaagden 1 tot en met 5) toerekenbaar tekort zijn geschoten in de met [persoon] gesloten overeenkomst om zuiveringsslib op zijn percelen op te brengen en te cultiveren;
3.2.
veroordeelt [V.O.F. en vennoten] in de proceskosten van [persoon] van € 3.502,44, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [V.O.F. en vennoten] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet [V.O.F. en vennoten] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
3.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
3.5.
veroordeelt [persoon] aan [B.V.] (eiseres in reconventie sub 6) te betalen de somma van € 40.185,58, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 26 juli 2023 tot aan de dag van algehele voldoening;
3.6.
veroordeelt [persoon] om aan [V.O.F. en vennoten] (eisers in reconventie 1 tot en met 5) te betalen de somma van € 13.248,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 26 juli 2023 tot aan de dag van algehele voldoening;
3.7.
veroordeelt [persoon] in de proceskosten van € 3.282,00 van [V.O.F. en vennoten] (eisers in reconventie 1 tot en met 6), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [persoon] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet [persoon] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
3.8.
veroordeelt [persoon] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
3.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.10.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2025.

Voetnoten

1.Zie onder andere ECLI:NL:HR:2025:258
2.Zie Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/81
3.Zie onder andere ECLI:NL:HR:2014:212