ECLI:NL:RBZWB:2025:2842
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2019
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2019, waarin het belastbaar inkomen uit werk en woning door de inspecteur was vastgesteld op €106.518, hoger dan het door belanghebbende opgegeven bedrag.
De rechtbank heeft vastgesteld dat belanghebbende loon ontving van twee werkgevers, [B.V.] en [STAK], en dat de inspecteur is uitgegaan van juiste loonbedragen zoals gerapporteerd door deze werkgevers. Belanghebbende voerde aan dat de loonbedragen onjuist waren door een fout in de salarisadministratie en verwees naar bankafschriften en een collega met een vergelijkbaar probleem.
De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken over 2017 en 2018 waarin soortgelijke argumenten van belanghebbende zijn verworpen. Er is geen nieuwe informatie die aanleiding geeft tot een ander oordeel. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt wegens gebrek aan onderbouwing.
Ook de aanslag belastingrente blijft in stand omdat belanghebbende geen zelfstandige gronden heeft aangevoerd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, de aanslag blijft ongewijzigd en belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2019 wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft ongewijzigd.