ECLI:NL:RBZWB:2025:2851

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2025
Publicatiedatum
12 mei 2025
Zaaknummer
C/02/408969 / FA RK 23-1999
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Roose
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Definitieve vaststelling zorgregeling en toestemming vakantie minderjarige naar Curaçao

In deze zaak stond de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor een minderjarige centraal, alsmede de toestemming voor een buitenlandse vakantie naar Curaçao. De voorlopige zorgregeling bepaalde dat de vrouw en de minderjarige wekelijks contact hadden van zondag- tot woensdagochtend, met een verdeling van vakanties en feestdagen in onderling overleg.

Partijen hebben gedurende het proces meerdere keren via hun advocaten en de Raad voor de Kinderbescherming overleg gevoerd en trajecten gevolgd ter verbetering van de communicatie. Uiteindelijk bereikten partijen overeenstemming over de zorgregeling en de verdeling van vakanties en feestdagen. De man introk zijn zelfstandig verzoek tot wijziging van de zorgregeling en stemde in met de vakantie naar Curaçao.

De rechtbank oordeelde dat de voorlopige regeling in het belang van de minderjarige is en legde deze definitief vast. Het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming voor de vakantie werd afgewezen omdat de man inmiddels toestemming had gegeven. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit en ontwikkeling van de minderjarige te waarborgen.

Uitkomst: De voorlopige zorgregeling wordt definitief vastgelegd en het verzoek om vervangende toestemming voor vakantie wordt afgewezen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/408969 / FA RK 23-1999
datum uitspraak: 13 mei 2025
nadere beschikking over wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en vervangende toestemming voor buitenlandse vakantie
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.G.S.N. Asselbergs te ‘s-Gravenhage,
tegen
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. P.G.W. van Wees te Arnhem.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het verdere procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 10 mei 2024 en alle daarin genoemde en opgenomen stukken;
- het F9-formulier van mr. Asselbergs van 24 september 2024;
- het F9-formulier van mr. Van Wees van 25 september 2024;
- het F9-formulier van mr. Asselbergs van 23 januari 2025;
- het bericht van de Raad van 13 februari 2025;
- het F9-formulier van mr. Van Wees van 14 april 2025;
- het F9-formulier van mr. Asselbergs van 15 april 2025.
1.2
[minderjarige] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat zij van het verzoek vindt, maar zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.

2.De verdere beoordeling

2.1
De rechtbank verwijst naar de tussenbeschikking van 10 mei 2024. Bij deze beschikking is, onder wijziging van de beschikking van 28 juni 2023, bepaald dat de vrouw en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
voorlopiggerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar gedurende iedere week van zondagochtend tot woensdagochtend. Verder is de beslissing op de verzoeken van de vrouw en het zelfstandig verzoek van de man aangehouden tot 10 september 2024 pro forma in afwachting van het verloop/de uitkomsten van het PSO-traject en het traject bij de kinderpsycholoog. Daarbij is aan de advocaten verzocht om zich uit te laten over het gewenste verdere procesverloop. Aan de Raad heeft de rechtbank verzocht om aan de hand van de ontwikkelingen een advies uit te brengen over de voorliggende verzoeken.
2.2
Bij F9-formulier van 24 september 2024 heeft mr. Asselbergs laten weten dat er sinds de vorige zitting en na duidelijkheid over de (voorlopige) zorgregeling meer rust tussen partijen is ontstaan. Het SCHIP-traject wordt nog steeds voortgezet, meestal in de vorm van individuele sessies. Het traject loopt in elk geval door tot december 2024 met als doel het verbeteren van de communicatie. De vrouw hoopt dat de man toestemming zal geven voor een vakantie naar Curaçao. Afgelopen zomer zijn de vrouw en [minderjarige] , met toestemming van de man, naar Spanje geweest. Met [minderjarige] gaat het goed. Zij heeft het naar haar zin op school en gaat binnenkort op judo. Wat de vrouw betreft, wordt de behandeling van de zaak nog een keer pro forma aangehouden voor drie of vier maanden.
2.3
Bij F9-formulier van 25 september 2024 heeft mr. Van Wees te kennen gegeven dat de man van mening is dat het SCHIP-traject goed verloopt. De communicatie tussen de man en de vrouw kan nog beter waar het [minderjarige] betreft en aldus is het traject nog niet afgerond. De man verzoekt om die reden om de zaak voor vier maanden aan te houden.
2.4
Bij F9-formulier van 23 januari 2025 heeft mr. Asselbergs laten weten dat zij van de vrouw heeft begrepen dat het SCHIP-traject positief is afgerond. Het eindverslag is naar partijen en de gemeente verstuurd. Als partijen opnieuw behoefte hebben aan ondersteuning of over een bepaald onderwerp overleg wensen via SCHIP of gemeente, dan is dat mogelijk.
2.5
Bij e-mailbericht van 13 februari 2025 heeft de Raad te kennen gegeven dat hij op basis van de huidige informatie geen inhoudelijk advies over de verzoeken kan geven.
2.6
Ter beoordeling ligt nog voor de (deels gewijzigde) verzoeken van de vrouw om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen:
I. dat er een gewijzigde reguliere zorgregeling zal zijn die inhoudt dat [minderjarige] elke week van zondagochtend tot woensdagochtend bij de vrouw zal zijn, dan wel een regeling te bepalen die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
II. dat – ter vervanging van de toestemming van de man – vervangende toestemming wordt verleend aan de vrouw om jaarlijks met [minderjarige] in een schoolvakantie naar de Antillen af te reizen.
Tevens ligt ter beoordeling voor het zelfstandige verzoek van de man om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij beschikking te bepalen dat de zorg- en contactregeling tussen de vrouw en [minderjarige] wordt gewijzigd waarbij de vrouw iedere maandag omgang heeft met [minderjarige] uit school tot en met 19:00 uur en waarbij er een opbouwregeling wordt bepaald die de rechtbank in goede justitie juist acht en waarbij de vakantieregeling van het ouderschapsplan voor de duur van zes maanden wordt geschorst.
2.7
Bij F9-formulier van 14 april 2025 heeft mr. Van Wees laten weten dat partijen overeenstemming hebben bereikt en ermee akkoord zijn dat de zorgregeling, zoals die voorlopig door de rechtbank in de beschikking van 10 mei 2024 is opgenomen, definitief wordt vastgelegd. Tevens heeft mr. Van Wees aangegeven dat de man zijn zelfstandig verzoek omtrent de zorgregeling intrekt. Ook wordt aangegeven dat partijen de vakanties en feestdagen bij helfte willen verdelen. Daarnaast stemt de man ermee in dat de vrouw met [minderjarige] op vakantie naar Curaçao kan gaan, mits dat in de schoolvakanties en tijdens haar deel van de vakantie plaatsvindt. Gelet hierop is de man van mening dat de mondelinge behandeling geen doorgang hoeft te vinden en dat de zaak schriftelijk kan worden afgedaan.
2.8
Bij F9-formulier van 15 april 2025 heeft mr. Asselbergs te kennen gegeven dat partijen overeenstemming hebben bereikt en dat er voor beide partijen geen zitting nodig is.
2.9
De rechtbank is van oordeel dat hetgeen partijen ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken overeen zijn gekomen in het belang van [minderjarige] is. Om die reden zal de rechtbank de regeling, zoals die voorlopig in de beschikking van 10 mei 2024 is opgenomen, definitief vastleggen en daarbij opnemen dat partijen de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte zullen verdelen.
2.1
Nu de man alsnog toestemming verleent aan de vrouw om met [minderjarige] op vakantie te gaan naar Curaçao heeft de vrouw geen belang meer bij haar verzoek om haar – ter vervanging van de toestemming van de man – daarvoor vervangende toestemming te verlenen. Het verzoek van de vrouw zal dan ook worden afgewezen. De rechtbank verwacht van de man dat hij zijn toezegging gestand zal doen en dat hij zal meewerken aan het invullen van de formulieren die nodig zijn voor de vakantie van de vrouw met [minderjarige] naar Curaçao.
2.11
Nu de man zijn zelfstandig verzoek omtrent de zorgregeling heeft ingetrokken, behoeft zijn zelfstandige verzoek geen inhoudelijke beoordeling en beslissing meer. Om die reden zal de rechtbank het meer of anders verzochte afwijzen.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.12
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1
bepaalt, onder wijziging van de beschikking van 10 mei 2024 dat de vrouw en de [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar gedurende iedere week van zondagochtend tot woensdagochtend en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg tussen partijen te bepalen;
3.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.3
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Roose, rechter en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2025 in aanwezigheid van mr. Vork, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.