Belanghebbende is eigenaar van een twee-onder-een-kapwoning uit 1954 waarvan de WOZ-waarde per 1 januari 2022 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €348.000. Deze waardering vormde de basis voor de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) 2023. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waarde, dat ongegrond werd verklaard, waarna beroep werd ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde of de waarde te hoog was vastgesteld. De heffingsambtenaar baseerde de waardering op een taxatierapport met vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen in de buurt werden gebruikt. De rechtbank achtte deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar en recent verkocht. Echter, belanghebbende stelde dat de zolder ten onrechte als gebruiksoppervlakte wonen was meegeteld omdat deze alleen via een vlizotrap bereikbaar is, en dat de waarde van de aanbouw te hoog was vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat de zolder als overige inpandige ruimte had moeten worden gewaardeerd en dat een neerwaartse correctie van circa €7.700 passend was. Daarnaast was de prijs per vierkante meter van de aanbouw onjuist berekend en diende een correctie van circa €5.300 te worden toegepast. Omdat de heffingsambtenaar niet aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was, en belanghebbende zijn lagere waarde niet voldoende onderbouwde, stelde de rechtbank de waarde schattenderwijs vast op €339.000.
Het beroep werd gegrond verklaard, de WOZ-waarde en de aanslag OZB werden verminderd, en de heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.