Belanghebbende diende een aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2021 in en verzocht gelijktijdig om omzetting van een verlies uit aanmerkelijk belang (AB-verlies) uit 2019 in een belastingkorting. De inspecteur wees dit verzoek aanvankelijk af omdat de definitieve aanslag 2019 nog niet was opgelegd. Na oplegging van de definitieve aanslag 2019 en de beschikking belastingkorting werd de aanslag IB/PVV 2021 definitief vastgesteld met verrekening van de belastingkorting, maar zonder vergoeding van belastingrente.
Belanghebbende stelde dat zij recht had op belastingrentevergoeding op grond van artikel 30fd AWR omdat de aanslag zou zijn vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte. De rechtbank oordeelde dat de aanslag niet overeenkomstig de aangifte was vastgesteld, omdat de belastingkorting voortkomt uit een afzonderlijke beschikking en niet uit de aangifte zelf. Ook was geen sprake van een vergelijkbare situatie als in het aangehaalde arrest van de Hoge Raad.
Verder stelde belanghebbende dat de inspecteur eerder een voorlopige aanslag met verrekening van de belastingkorting had moeten opleggen, en dat de inspecteur in strijd met het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel had gehandeld. De rechtbank verwierp deze stellingen omdat het opleggen van een voorlopige aanslag facultatief is en de wetgever expliciet de gevallen omschrijft waarin belastingrente wordt vergoed. Tot slot werd het beroep op het fair-play beginsel verworpen omdat de inspecteur niet partijdig handelde en de belastingkorting eerst bij beschikking moet worden vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de uitspraak op bezwaar en kende geen vergoeding van belastingrente toe.