Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- betrokkene en haar advocaat;
- mevrouw [naam 1], verpleegkundig specialist;
- mevrouw [naam 2], teamleider.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 7 mei 2025 een beschikking gegeven in een rekestprocedure van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) betreffende betrokkene, geboren in 1931, die lijdt aan een dementie syndroom vermoedelijk van vasculaire oorsprong. Betrokkene verblijft sinds circa een maand in een zorgaccommodatie na een inbewaringstelling.
De verpleegkundig specialist en teamleider hebben verklaard dat betrokkene zich niet goed voor zichzelf kon zorgen, vertoonde verward en agressief gedrag, en dat opname noodzakelijk is om ernstig nadeel te voorkomen. Hoewel betrokkene mondeling uitdrukt niet in de zorgaccommodatie te willen verblijven, is fysiek verzet tot nu toe niet waargenomen.
De advocaat van betrokkene betoogde dat het verzoek afgewezen moet worden omdat fysiek verzet minimaal is en betrokkene geen pogingen heeft gedaan om te vertrekken. De rechtbank oordeelt dat de opname noodzakelijk en geschikt is om ernstig lichamelijk letsel, verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en gevaar voor de veiligheid te voorkomen. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven. Daarom wordt de machtiging tot opname en verblijf voor zes maanden verleend, geldig tot 7 november 2025.
Uitkomst: De rechtbank verleent een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor zes maanden wegens risico op ernstig nadeel door dementie.