Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2021, waarbij de inspecteur het forfaitaire stelsel van de Wet IB 2001 toepaste voor het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. De rechtbank heeft beoordeeld of deze toepassing correct was en of de garages van belanghebbende als aanhorigheden van zijn woning konden worden aangemerkt.
De rechtbank bevestigde dat het forfaitaire stelsel van de Wet IB 2001 terecht werd toegepast omdat dit voor belanghebbende tot een voordeliger resultaat leidde dan het stelsel van de Herstelwet. Tevens oordeelde de rechtbank dat de garages, gelegen op een ander perceel en op circa 75 meter afstand van de woning, niet voldoen aan de voorwaarden voor aanhorigheden zoals gesteld in jurisprudentie van de Hoge Raad.
Belanghebbende had onvoldoende feiten aangevoerd om aannemelijk te maken dat de garages in gebruik waren bij en dienstbaar waren aan de woning. Hierdoor zijn de garages terecht opgenomen in box 3 en niet als onderdeel van de eigen woning. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, de aanslag bleef in stand en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.