Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017, waarbij de inspecteur een belastbaar inkomen van €69.138 vaststelde. Na bezwaar werd het verzamelinkomen verlaagd tot €196 en werd een forfaitaire kostenvergoeding van €296 toegekend.
Belanghebbende vorderde een integrale kostenvergoeding voor de bezwaarfase, stellende dat de inspecteur onrechtmatig en tegen beter weten in had gehandeld. De rechtbank oordeelt dat hoewel sprake was van een onjuist besluit, dit niet automatisch recht geeft op een integrale vergoeding. Er was geen bewijs dat de inspecteur tegen beter weten in handelde of in vergaande mate onzorgvuldig was.
De rechtbank concludeert dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een afwijking van de forfaitaire vergoeding rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, en belanghebbende krijgt geen volledige kostenvergoeding noch griffierecht terug.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 19 mei 2025. Belanghebbende kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.