Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017, waarbij een belastbaar inkomen van €44.231 was vastgesteld, inclusief belastingrente en boetes. De inspecteur verklaarde het bezwaar gegrond en kende een forfaitaire kostenvergoeding van €592 toe.
Belanghebbende vorderde een integrale kostenvergoeding voor de bezwaarfase, stellende dat de inspecteur tegen beter weten in had gehandeld en onrechtmatig had besloten. De rechtbank oordeelde dat hoewel sprake was van een onjuist besluit, dit niet automatisch recht gaf op een integrale vergoeding. De inspecteur had gehandeld op basis van een boekenonderzoek en er was geen bewijs dat hij tegen beter weten in had gehandeld of in vergaande mate onzorgvuldig was geweest.
De rechtbank concludeerde dat geen bijzondere omstandigheden bestonden die een afwijking van de forfaitaire vergoeding rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, waardoor belanghebbende geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.