Uitspraak
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2] B.V.,
1.De zaak in het kort
2.De procedure
3.De feiten
Al geruime tijd weet je dat er problemen zijn met het niet wind en waterdicht van het [adres] . In februari 2021 hebben wij de eerste melding gemaakt en zitten nog steeds in de ellende. Daarom zal ik per volgende huur betaling en dat is voor Mei 2024 een bedrag inhouden op de maandelijkse huur van € 300,00, dit i.v.m. de onderstaande punten.
Lekkage aan het dak, al ruim 3 jaar
Lekkage en niet wind dicht kozijnen boven, al ruim 3 jaar
Het niet kunnen gebruiken van de 2 bovenruimtes, al ruim 3 jaar
Schimmel in het pand door nalatigheid verhuurder
Geleden schade als gevolg door nalatigheid verhuurder
Door belasten van volledige kosten denk aan Brabant Water, meerder huurder zitten op dezelfde meter aangesloten voorschot en naheffing
Klachten van klanten i.v.m. vocht en kou in het pand
4.Het geschil
5.De beoordeling
Verhuurder is niet aansprakelijk voor schade ten gevolge van een gebrek en huurder kan in geval van een gebrek geen aanspraak maken op huurprijsvermindering en verrekening, behoudens de bevoegdheid tot verrekening als bedoeld in artikel 7:206 lid 3 Burgerlijk Pro Wetboek.”. Vervolgens is in artikel 11.4 opgenomen: “
Het gestelde in 11.3 is in de navolgende omstandigheden niet van toepassing:
- indien een gebrek een gevolg is van een toerekenbare ernstige tekortkoming van verhuurder;
- indien verhuurder een gebrek bij het aangaan van de huurovereenkomst kende en met huurder daaromtrent geen nadere afspraken heeft gemaakt;
- indien verhuurder een gebrek bij het aangaan van de huurovereenkomst behoorde te kennen en huurder daarvan middels zijn onderzoeksplicht in 4 niet op de hoogte had kunnen of behoren te zijn.”
Foto opname 1
is er sprake van een lekkage boven het kozijn” en bij “Foto opname 3” staat vermeld: “
door de vele aanwezige lekkages”. Bovendien staat in de conclusie vermeld:
“(…) veel vochtschades welke worden veroorzaakt door een of meerdere bouwkundige gebreken.(…)”.[eiser] heeft de inhoud van het rapport van KMZ Lekdetectie betwist, maar heeft tegenover de constateringen in het rapport van KMZ Lekdetectie zijn standpunt - dat er in de periode mei 2024 tot en met december 2024 geen sprake meer was van lekkages en vochtproblemen - onvoldoende onderbouwd met een rapport waaruit dit blijkt. [eiser] heeft dan wel een bouwkundige inspectie laten uitvoeren, waarin staat vermeld dat de lekkages en vochtproblemen zijn opgelost en er geen nieuwe lekkages zijn aangetroffen. Maar daaruit volgt niet dat er geen lekkages en vochtproblemen waren in de periode mei 2024 tot en met december 2024. De waarnemingen uit die bouwkundige inspectie zijn namelijk van ná die periode. [eiser] had die inspectie ook eerder kunnen laten uitvoeren (of een rapport laten opstellen), omdat [gedaagde 2] in maart 2024 al had medegedeeld dat zij een bedrag aan huur zou inhouden wegens gebreken en zij de huurovereenkomst tegen 1 januari 2025 had opgezegd. Dat [eiser] op 20 juni 2024 een extern bedrijf heeft laten kijken waar de gestelde lekkage vandaan kwam, maar dat er geen lekkage is vastgesteld, is niet gemotiveerd onderbouwd gesteld. De door [eiser] overgelegde verklaring daarover van [naam] (productie 16 bij dagvaarding) maakt dat niet anders. [naam] heeft namelijk verklaard “
Naar mij bevindingen is deze dakbedekking in 2023 vervangen en zijn er na onze werkzaamheden op 20-06-2024 geen nieuwe lekkages meer gemeld.”. Hieruit kan niet worden geconcludeerd dat er geen lekkages en vochtproblemen aanwezig meer waren, nu hij het slechts heeft over het melden daarvan. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat de lekkages en vochtproblemen in de periode mei 2024 tot en met december 2024 waren opgelost. [eiser] is voldoende in de gelegenheid gesteld om die gebreken op te lossen, maar heeft dit desondanks niet volledig gedaan, waardoor [eiser] in verzuim is geraakt. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming door [eiser] , zodat zijn beroep op artikel 11.3 van de algemene bepalingen - dat [gedaagde 2] geen aanspraak mocht maken op een huurprijsvermindering - niet slaagt.
6.De beslissing
6.3. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 578,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,