ECLI:NL:RBZWB:2025:3126

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 mei 2025
Publicatiedatum
22 mei 2025
Zaaknummer
RK 24-031903
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet DNAArt. 7 Wet DNAArt. 67 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen afname en verwerking DNA-profiel bij veroordeling witwassen ongegrond verklaard

De veroordeelde is veroordeeld wegens witwassen, gepleegd op geheel digitale wijze, en heeft bezwaar gemaakt tegen de afname en verwerking van zijn DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA. Hij stelde dat DNA-onderzoek geen betekenis zou hebben voor opsporing en vervolging, mede gezien de bijzondere omstandigheden van het misdrijf en het geringe recidivegevaar.

De rechtbank heeft het bezwaar op 22 april 2025 behandeld. De officier van justitie voerde aan dat DNA-onderzoek bij witwassen wel degelijk een bijdrage kan leveren aan opsporing en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een uitzondering rechtvaardigen. De rechtbank oordeelde dat het misdrijf voldoet aan de wettelijke vereisten voor afname van DNA en dat de Wet DNA terughoudendheid vereist bij het aannemen van uitzonderingssituaties.

De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Hoge Raad en concludeerde dat de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet uitzonderlijk zijn en dat het recidivegevaar niet evident afwezig is. Hoewel de veroordeelde stappen heeft gezet richting maatschappelijke verbetering, is dat onvoldoende om het bezwaar toe te wijzen. Het bezwaar is daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de afname en verwerking van het DNA-profiel is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-227764-24
raadkamernummer : 24-031903
datum : 8 mei 2025
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet Pro DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats],
wonende op het adres [woonadres],
hierna te noemen: de veroordeelde.

Procedure

Het bezwaarschrift is op 30 december 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 22 april 2025 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat mr. J.A.J. Brahm, advocaat te Rotterdam, en de officier van justitie J.J. Peerboom op zitting gehoord.
De veroordeelde is goed opgeroepen, maar niet in raadkamer verschenen.

Bezwaar

De veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel - met name gelet op de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd - niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Namens de veroordeelde is in raadkamer aangevoerd dat de in het bewaarschrift aangevoerde gronden als herhaald en ingelast kunnen worden beschouwd. Klager is veroordeeld voor het plegen van witwassen. Het feit is op geheel digitale wijze gepleegd. DNA-onderzoek had dus praktisch gesproken geen rol van betekenis kunnen spelen. Klager meent voorts dat er geen sprake is van recidivegevaar. Klager heeft weliswaar een strafblad, maar is niet eerder veroordeeld voor dit feit. Bovendien vond het feit plaats in een specifieke context en was sterk situatief bepaald, zodat het volstrekt onaannemelijk is dat klager opnieuw een dergelijk strafbaar feit zal plegen. Veroordeelde heeft aantoonbare stappen gezet richting maatschappelijke verbetering. Hij is begonnen met een opleiding en is bezig met het vinden van werk. De enkele verwijzing naar het strafblad van veroordeelde door het Openbaar Ministerie doet geen recht aan de actuele omstandigheden waarin veroordeelde verkeert.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. Bij het delict witwassen kan DNA-onderzoek een bijdrage leveren aan de opsporing. Voorts is niet gebleken van bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd. Enkel bij hoge uitzondering biedt de Wet DNA ruimte om af te wijken van het uitgangspunt dat een DNA-profiel wordt afgenomen en opgeslagen in de databank. Dit kan bijvoorbeeld zijn wanneer zich omstandigheden voordoen op basis waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat recidive met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet zal plaatsvinden. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. Bovendien blijkt uit de documentatie van veroordeelde dat hij eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het bezwaarschrift dient ongegrond te worden verklaard.

Beoordeling

Bij vonnis van 8 oktober 2024 is veroordeelde door de politierechter van deze rechtbank veroordeeld wegens witwassen tot een taakstraf van zestig uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken met een proeftijd van twee jaar.
De rechtbank is bevoegd.
Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.
De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. Veroordeelde is veroordeeld voor witwassen. De rechtbank is van oordeel dat voor de opheldering van dergelijke misdrijven DNA-onderzoek van betekenis kan zijn. Dergelijke misdrijven kennen immers vele verschijningsvormen en daar zitten ook vormen bij waarvoor DNA-onderzoek bepalend kan zijn. De rechtbank verwijst hiervoor nog naar de uitspraak van de Hoge Raad van 19 november 2024 over dit onderwerp, die gewezen is na de indiening van het bezwaarschift, gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:HR:2024:1694.
De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen
met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Of, en in welke mate, bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Een relevante factor in dit verband kan allereerst zijn of de gevolgen van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel evident disproportioneel zijn. Daarnaast kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven (Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626).
De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde geen beroep toekomt op deze in de Wet DNA genoemde uitzondering. Gelet op het systeem van de wet dient terughoudend te worden omgegaan met het aannemen van een uitzonderingssituatie. Er dienen zeer uitzonderlijke omstandigheden te worden aangevoerd waaronder het strafbare feit is gepleegd. Het moet dan gaan om omstandigheden die zich in de toekomst met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet meer zullen voordoen. Die omstandigheden zijn de rechtbank niet gebleken. Uit de justitiële documentatie van veroordeelde blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen voor schuldheling. Ondanks dat veroordeelde tot op heden niet opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen, blijkt uit de omstandigheden niet dat er evident sprake is van een eenmalig incident. Het is positief dat veroordeelde stappen heeft gezet richting maatschappelijke verbetering, maar voor een geslaagd beroep op de in de Wet DNA genoemde uitzondering is meer nodig.
Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr J.C.A.M. Los, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2025.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.