6.3Het oordeel van de rechtbank
parketnummer 02-207998-24
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft op 26 juni 2024 op verschillende momenten en locaties ernstige bedreigingen en beledigingen geuit richting politieambtenaren. Het doel dat verdachte hier kennelijk mee voor ogen had, namelijk het afdwingen van een opname, rechtvaardigen deze gedragingen niet. Niet alleen getuigen deze gedragingen van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag, ook is het voorstelbaar dat verdachte hiermee het veiligheidsgevoel en de eer en goede naam van de politieambtenaren heeft aangetast. Politieambtenaren moeten kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met bedreigingen en beledigingen. Dit geldt temeer omdat hun werk het doorgaans niet toelaat dat zij zich distantiëren van situaties waarin zulke gedragingen zich zouden kunnen voordoen.
De persoon van de verdachte
Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 5.2 heeft overwogen, kunnen de bewezenverklaarde feiten verdachte slechts in verminderde mate worden toegerekend.
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 april 2025. Hieruit blijkt onder meer dat verdachte eerder bij uitspraak van de politierechter van deze rechtbank van 31 mei 2022 is veroordeeld voor wederspannigheid, gericht tegen politieambtenaren. Dat verdachte zich vervolgens op 26 juni 2024 wederom op onacceptabele wijze richting politieambtenaren heeft gedragen, neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.
De op te leggen straf
De rechtbank acht het noodzakelijk om verdachte, ondanks de verminderde toerekeningsvatbaarheid, een signaal te geven dat zijn gedragingen richting politieambtenaren onacceptabel zijn en dat hij daarmee vervelende feiten heeft gepleegd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft gezeten, passend en geboden is.
parketnummer 02-290877-24
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft opzettelijk brand gesticht in zijn appartement, dat deel uitmaakt van een appartementencomplex. Ten tijde van de brandstichting waren meerdere bewoners in dit complex aanwezig. Brandstichting is een ernstig feit, omdat hierdoor onvoorspelbare, onbeheersbare en zeer gevaarlijke situaties kunnen ontstaan. In dit geval heeft verdachte door de brandstichting ook het leven en de gezondheid van medebewoners ernstig in gevaar gebracht. Dat de gevolgen beperkt zijn gebleven is niet aan verdachte te danken, maar aan adequaat ingrijpen van een toezichthouder en de brandweer. Daarnaast veroorzaakt brandstichting gevoelens van angst, onveiligheid en onrust, specifiek voor de bewoners van het betreffende appartementencomplex, maar ook meer in het algemeen voor de samenleving als geheel.
Geen straf, wel een maatregel
De rechtbank heeft onder 5.2 overwogen dat verdachte niet strafbaar is voor de brandstichting, omdat dit feit in het geheel niet aan hem kan worden toegerekend. Er kan aan verdachte dus geen straf worden opgelegd. Wel kan er een maatregel aan verdachte worden opgelegd. Vraag is of dit in het geval van verdachte noodzakelijk is. Voor de beantwoording van die vraag heeft de rechtbank acht geslagen op de eerder genoemde Pro Justitia rapporten en op het reclasseringsadvies van 4 februari 2025.
Pro Justitia rapporten
De deskundigen schatten het recidiverisico in als hoog, gelet op de bij verdachte aanwezige persisterende psychotische stoornis, het gebrek aan ziektebesef en -inzicht, zijn kwetsbaarheid en het ontbreken van beschermende factoren. Dit hoge risico is er op korte termijn – dagen of weken – op het moment dat verdachte dakloos, zonder zorg of ondersteuning vanuit instanties of een netwerk en zonder daginvulling op straat komt te staan. De factoren die verdachte tot de brandstichting hebben aangezet, zijn immers nog steeds aanwezig. Ondanks dat verdachte momenteel in detentie al enige tijd vrij is van middelengebruik en antipsychotische medicatie krijgt, blijft hij zich bezighouden met het bewijzen van zijn onsterfelijkheid. Omdat zijn waandenkbeelden niet te bewijzen zijn, zullen ook de frustraties hierover blijven bestaan. Bovendien zal verdachte buiten een gereguleerde omgeving weer stoppen met de antipsychotische medicatie, omdat hij dit vanwege zijn gebrek aan ziektebesef en -inzicht niet nodig vindt. Wat hij wel nodig vindt, is het gebruik van Alpha. Dit komt zowel vanuit zijn psychotische stoornis – Alpha geeft hem naar eigen zeggen speciale krachten – als vanuit zijn verslavingsproblematiek. Dit gebruik zal zijn psychotische stoornis alleen maar verder aanwakkeren. Daarnaast vindt verdachte het gebruiken van geweld of lijden van anderen geoorloofd om zijn punt duidelijk te maken, temeer omdat hij zich vanuit zijn waandenkbeelden verheven voelt boven anderen.
Het hoge recidiverisico kan volgens de deskundigen alleen voldoende beperkt worden door een langdurige behandeling en verblijf binnen een gestructureerde omgeving met een hoog beveiligingsniveau met expertise op het gebeid van verslaving en forensische psychiatrie. Een dergelijke klinische setting kan alleen worden vormgegeven binnen de maatregel tbs met verpleging van overheidswege. De maatregel tbs met voorwaarden, in een ambulante setting, achten de deskundigen ontoereikend. Verdachte heeft geen ziektebesef en -inzicht, vindt medicatie of andersoortige behandeling niet nodig, is niet gemotiveerd om zich te onthouden van middelengebruik en in het verleden is meermaals gebleken dat hij zich niet aan voorwaarden kan houden. Ook nu geeft verdachte aan zich niet aan voorwaarden te zullen houden. Daar komt bij dat verdachte geen stabiele huisvesting heeft en ook geen netwerk om op terug te vallen. Een zorgmachtiging is volgens de deskundige evenmin toereikend, omdat de problematiek van verdachte (forensisch) te zwaar is voor de reguliere geestelijke gezondheidszorg. Ook dit is in het verleden gebleken, doordat verdachte zich gedurende een zorgmachtiging in 2016/2017 niet hield aan de voorwaarden en naar Spanje vertrok.
Reclasseringsadvies
De reclassering sluit zich aan bij de bovengenoemde conclusies en adviezen van de deskundigen en adviseert om verdachte tbs met verpleging van overheidswege op te leggen. Ook de reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s op recidive, letsel of onttrekking aan voorwaarden te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen.
Conclusie van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat voldaan is aan alle eisen die artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht stelt voor oplegging van de maatregel tbs. Zo bestond bij verdachte ten tijde van de brandstichting een ziekelijk stoornis van zijn geestvermogens en is op brandstichting een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, het opleggen van deze maatregel eist, in het bijzonder in de vorm van tbs met verpleging van overheidswege. Gelet op de conclusies en adviezen in de Pro Justitia rapporten kan alleen die vorm van tbs de maatschappij voldoende beschermen tegen de gedragingen van verdachte en tegelijkertijd ingezet worden ter bevordering en verdere stabilisering van het psychische toestandsbeeld van verdachte. De deskundigen en in aansluiting daarop de reclassering hebben duidelijk en op inzichtelijke wijze gemotiveerd waarom een minder beveiligd kader voor verdachte ontoereikend is. De rechtbank volgt die motivering en zal verdachte dan ook tbs met verpleging van overheidswege opleggen.
De brandstichting, zoals die in dit geval bewezen is verklaard, betreft een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht is deze maatregel dan ook niet in duur gemaximeerd.