Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens het veroorzaken van hinder door het storten van stof op de bodem op een locatie in Breda op 18 januari 2024. Betrokkene maakte bezwaar tegen de boete bij het college van burgemeester en wethouders, dat het bezwaar ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde betrokkene beroep in bij de rechtbank.
Betrokkene voerde aan dat de boete niet redelijk was en dat de bezwaarprocedure niet volgens de voorgeschreven termijnen was verlopen, onder meer doordat zij geen tijdige ontvangstbevestiging ontving en de gemeente zich niet aan de termijnen hield. Ter zitting gaf betrokkene aan dat het afval door een huisgenoot was neergezet.
De rechtbank oordeelde dat uit het dossier voldoende blijkt dat betrokkene verantwoordelijk is voor het afval en dat de boete terecht is opgelegd. Procedurele fouten bij de bezwaarafhandeling zijn onvoldoende om de boete te vernietigen, mede omdat betrokkene geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden om een ingebrekestelling te sturen of direct beroep in te stellen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke boete wordt ongegrond verklaard en de boete blijft gehandhaafd.