ECLI:NL:RBZWB:2025:3177
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen bestuurlijke boete voor het zonder vergunning ophangen van reclameposter
Betrokkene kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens het zonder voorafgaande vergunning gebruiken van een openbare plaats door het ophangen van een reclameposter op 30 juni 2024 te Breda. Betrokkene maakte bezwaar, dat door het college van burgemeester en wethouders werd afgewezen. Vervolgens stelde betrokkene beroep in bij de rechtbank.
Tijdens de zitting was betrokkene niet aanwezig. De gemeente stelde dat het aannemelijk is dat betrokkene of een werknemer de poster heeft opgehangen en verwees naar het bewijsvermoeden dat geldt bij bestuurlijke boetes. Betrokkene voerde aan dat de bewijslast bij de gemeente ligt en dat een foto van de poster onvoldoende bewijs is, mede omdat de poster vrij beschikbaar is op internet.
De rechtbank oordeelde dat het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is en dat het bewijsvermoeden geldt: degene aan wie het aangetroffen object kan worden herleid, wordt geacht de overtreder te zijn, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet het geval is. Betrokkene slaagde er niet in aannemelijk te maken dat een ander verantwoordelijk was. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de boete gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke boete wordt ongegrond verklaard en de boete gehandhaafd.